De afgrond in Openbaring

Is Christus de koning (Abaddon) van de afgrond in Openbaring? Bevinden de “Gezalfde Christenen” zich in de afgrond?

In de Wachttoren van 1 mei 1998 wordt gesteld dat de uit de “afgrond” voortkomende sprinkhanen, Gods volk zijn. Paragraaf 9 op blz. 9 zegt:

“Is dit alleen maar een profetie over “een natie” van sprinkhanen, een sprinkhanenzwerm, die Juda bevalt? Nee, er is meer bij betrokken. Zowel in Joël 1:6 als in Openbaring 9:7 wordt Gods volk als sprinkhanen afgebeeld. Het hedendaagse sprinkhanenleger is niets minder dan de krijgsmacht van Jehovah’s gezalfde sprinkhanen, die nu gezelschap hebben gekregen van zo’n 5.600.000 “andere schapen” van Jezus (Johannes 10:16). Bent u niet blij dat u deel uitmaakt van deze grote menigte van Jehovah’s aanbidders?” 

Is Christus de koning (Abaddon) van de afgrond in Openbaring?

De Sprinkhanenplaag uit Openbaring 9 komt voort uit “de afgrond”

Het WTG verklaart dat in hoofdstuk 22 (zie par. 6) van Openbaring door te stellen dat de “ster” uit Openbaring 8:10 een andere moet zijn dan die uit Openbaring 9:1. Maar met welk recht doet men dat? Ik zou het niet weten. Als je gewoon rustig de context leest dan kan het niet anders dan over dezelfde “ster” gaan. Vervolgens moet je goed je best doen om par. 6 te begrijpen. Er staat zo’n onzin in en men spreekt zichzelf gaandeweg de paragraaf helemaal tegen. En dat allemaal zonder dat iemand van de WTG het in de gaten heeft. Eerst drukken we de paragraaf hier af:

“Het boek Openbaring, dat zo’n 26 jaar na de verwoesting van Jeruzalem geschreven werd, beschrijft die plaag eveneens. Wat voegt het aan Joëls beschrijving toe? Laten wij het verslag zoals Johannes het heeft bericht, eens beschouwen: “En de vijfde engel blies op zijn trompet. En ik zag een ster die uit de hemel naar de aarde was gevallen, en hem werd de sleutel van de put van de afgrond gegeven” (Openbaring 9:1). Deze “ster” is anders dan de “ster” uit Openbaring 8:10, die Johannes uit de hemel zag vallen. Hij ziet ‘een ster die [reeds] uit de hemel was gevallen’ en aan wie nu een taak met betrekking tot deze aarde is toegewezen. Gaat het hier om een geest of om een persoon van vlees en bloed?

Degene die deze “sleutel van de put van de afgrond” in bezit heeft, wordt later beschreven als degene die Satan in “de afgrond” slingert (Openbaring 20:1-3). Hij moet derhalve een machtig geestelijk schepsel zijn. In Openbaring 9:11 vertelt Johannes ons dat de sprinkhanen “een koning over zich [hebben], de engel van de afgrond”. Beide verzen moeten betrekking hebben op dezelfde persoon, aangezien de engel die de sleutel van de afgrond heeft, logischerwijs de engel van de afgrond zou zijn. En de ster kan niet anders dan Jehovah’s aangestelde Koning symboliseren, aangezien gezalfde christenen alleen maar de ene hemelse Koning, Jezus Christus, erkennen. Kolossenzen 1:13; 1 Korinthiërs 15:25″.

Wat staat er zoal in de paragraaf:

1) De “ster” uit Openbaring 8:10 is een andere dan uit Openbaring 9:1
2.

2) Aan die gevallen ster is een taak toegewezen m.b.t. de aarde.

3) Degene die de sleutel van de afgrond in bezit heeft wordt later beschreven als degene die Satan in de afgrond slingert.

4) De sprinkhanen hebben de engel van de afgrond over zich als koning.

5) De engel die de sleutel van de afgrond heeft, is logischerwijs de engel van de afgrond.

6) De “ster” kan niet anders zijn dan Jehovah’s aangestelde Koning Jezus Christus.

7) Degenen die in de afgrond in Openbaring zijn, zijn gezalfde Christenen.

Het bovenstaande komt uit maar één paragraaf uit het “Openbaringboek” van het WTG. Uit verreweg de meeste paragrafen kan zo’n lijstje gedistilleerd worden die vervolgens getoetst moet worden op wat er nu feitelijk beweerd wordt. Ik wil nu wat dieper ingaan op zes van de zeven “stellingen”.

Punt 2 slaan we over omdat de conclusie dat “aan die gevallen ster is een taak toegewezen met betrekking tot de aarde” vanzelf onzinnig blijkt te zijn als de rest behandeld is.

De “ster”

1) De “ster” uit Openbaring 8:10 is een andere dan uit Openb. 9:1. 6) De “ster” kan niet anders zijn dan Jehovah’s aangestelde Koning. Ik heb het al vermeld; wie de context leest zonder vooropgezette “bril” concludeert gewoon dat het nog steeds over dezelfde ster gaat. Vooral als je beseft dat ons woord “een” niet bestaat in het Grieks en dat de Bijbel niet is ingedeeld in hoofdstukken en verzen zoals wij die nu kennen. Nergens kunnen we uit opmaken dat het ineens over een andere “ster” zou gaan. Openbaring 8:10,11:

10: En de derde engel heeft gebazuind, en er is een grote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit den hemel, en is gevallen op het derde [deel] der rivieren, en op de fonteinen der wateren.
11 En de naam der ster wordt genoemd Alsem; en het derde [deel] der wateren werd tot alsem; en vele mensen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden.

Openbaring 9:1

En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds.

Door heel dit gedeelte wordt “de ster” als iets negatiefs beschreven. Woorden als: “brandende als een fakkel” “gevallen uit de hemel op aarde”, “de naam der ster wordt genoemd Alsem (= bitter)”, “vele zijn gestorven”, zijn toch overduidelijk negatief. Voor wie een beetje in de Schrift thuis is moet toch duidelijk zijn dat dit negatief beeld nooit op Christus de Koning van toepassing kan zijn. Christus valt nooit en wordt nooit bitter genoemd! Toch beweert het WTG dat de ster uit Openbaring 9:1 met al zijn negatieve beschrijvingen Christus is. Wat mij betreft is dat pure Godslastering. Op basis van wat in Openbaring 8 en 9 staat mag dat al helemaal niet geconcludeerd worden.

Volgens de schrijver gaat het in Openbaring 9:1 nog steeds om de gevallen ster uit 8:10 en 11. Aan die “ster” werden de sleutels van de put van de afgrond gegeven. Dit betekent dat ze normaal gesproken dus niet in het bezit van die ster waren. Het WTG ziet dit eenvoudige beginsel van “bezitten” en “geven” niet. In plaats daarvan zegt men in de paragraaf: “Degene die deze “sleutel van de put van de afgrond” in bezit heeft, wordt later beschreven als degene die Satan in “de afgrond” slingert (Openbaring 20:1-3). Een paar zinnen verderop staat: “Beide verzen moeten betrekking hebben op dezelfde persoon, aangezien de engel die de sleutel van de afgrond heeft, logischerwijs de engel van de afgrond zou zijn.”

De “sleutel”

Het brengt ons bij de volgende stellingen uit de aangehaalde paragraaf:

3) Degene die de sleutel van de afgrond in bezit heeft wordt later beschreven als degene die Satan in de afgrond slingert.

5) De engel die de sleutel van de afgrond heeft, is logischerwijs de engel van de afgrond.

Wat een zeer voorbarige conclusie wordt hier getrokken. Zoals gewoonlijk gaat men weer helemaal voorbij aan wat er echt in de tekst staat. Openbaring 20:1-3: “En ik zag een engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en een grote keten in zijn hand; En hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren; En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde [dien] boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.”

Nu even goed opletten, want: Nergens wordt gezegd dat de op de aarde gevallen ster die de sleutels ontving om de put te openen weer naar de hemel kon terugkeren. Als hij vrij was om op beide plaatsen te komen waarom wordt het op de aarde neerwerpen dan beschreven? Als het niets uitmaakt, had het er niet gestaan. Het maakt dus wel wat uit want nedergeworpen worden uit de hemel is een vernedering van positie die blijvend is. Nederwerpen is iets negatiefs dat door een hogere macht wordt gedaan. Degene die nedergeworpen wordt, kan daar kennelijk niets aan doen. Hij kan het niet verhinderen of ongedaan maken.

De engel uit Openbaring 20:1 is dus niet dezelfde als de ster uit Openbaring 8:10,11 en 9:1. De laatste bevond zich op aarde en de engel uit Openbaring 20:1 kwam af uit de hemel. Hij kwam naar de aarde alwaar zich de satan bevond. Juist ja, omdat die al eerder uit de hemel was geworpen. De engel die afkwam deed dat zelf en werd niet door een hogere macht tegen zijn wil uit de hemel geworpen. Dit lijkt mij een heel groot verschil.

Het WTG heeft dus niet opgemerkt dat: – satan de gevallen ster is die zijn “medestrijders” die zich in de put des afgronds bevinden voor een bepaalde tijd mag loslaten, alvorens zelf met hen in de afgrond opgesloten te worden voor 1000 jaar. – Hij voor dit doel de “sleutels” (= autoriteit/toestemming) ontvangt van God zelf. De engel die in Openbaring 20 de sleutel van de afgrond heeft, is niet dezelfde als de engel van de afgrond uit Openbaring 9. In tegenstelling tot wat het WTG tot Schriftverklaring verheft, wordt dat nergens beschreven en logisch is het al helemaal niet. Als ze zich herinnerd hadden wat er in het allereerste hoofdstuk van Openbaring over sleutels staat geschreven, had men het wellicht wel gezien.

In Openbaring 1:17-19 staat: (Statenvertaling):
17 En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste;
18 En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.
19 En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.

Zelfs in de Nieuwe Wereldvertaling van het WTG staat het gedeelte over de sleutels er nog in. Hoewel het gerommel met hoofdletters als het over Christus gaat weer opvallend is en in vers 1 van hoofdstuk 1 bewust vertaald is “Een openbaring door Jezus Christus” i.p.v. “Een openbaring van Jezus Christus” (zie de Griekse grondtekst), had men wel degelijk kunnen weten Wie alle “sleutels” in handen heeft.

NWT: 17 En toen ik hem zag, viel ik als dood aan zijn voeten neer. En hij legde zijn rechterhand op mij en zei: “Vrees niet. Ik ben de Eerste en de Laatste, 
18 en de levende; en ik werd een dode, maar zie! ik leef tot in alle eeuwigheid, en ik heb de sleutels van de dood en van Hades. 
19 Ik zal u de sleutels van het koninkrijk der hemelen geven, en wat gij ook op aarde moogt binden, zal dat zijn wat in de hemelen gebonden is, en wat gij ook op aarde moogt ontbinden, zal dat zijn wat in de hemelen ontbonden is.

In openbaring 3:7 wordt er ook over sleutels geschreven. En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Filadelfia is: “Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die den sleutel Davids heeft.” Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent: De NWT probeert weer uitermate haar best te toen om via het niet gebruiken van hoofdletter voor Heilige en Waarachtige de indruk te wekken dat het niet over Christus als God zelf gaat maar over een inferieur persoon. Kijk maar hoe dat vertaald is. 7 “En schrijf aan de engel van de gemeente in Filadelfia: Deze dingen zegt hij die heilig is, die waarachtig is, die de sleutel van David heeft, die opent zodat niemand zal sluiten en sluit zodat niemand opent.

Deze poging om de waarheid te verdoezelen is schandalig want het gaat hier om een vervulling van de profetie in Jesaja 22:22 waar Jehovah zegt: “En Ik zal den sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen.” Het gaat hierbij overduidelijk over Jezus Christus. Als “Zoon van David” kwam Hem het wettelijke recht toe “de sleutel” te ontvangen. Hij, dé Jezus Christus wordt in verband gebracht met sleutels en in Openbaring 1:18 en 3:7 wordt al duidelijk dat het Christus is die de sleutel of beter gezegd de diverse sleutels (= macht) al in Zijn bezit heeft. Lukas 8:29-31 bevestigt dat door te beschrijven hoe Jezus macht had om de demonen naar de afgrond te sturen.

Als er dus in Openbaring 9:1 door “een Engel” een sleutel overhandigt wordt aan de gevallen ster, dan kan die sleutel dus nooit gegeven worden aan Jezus Christus; Hij had hem namelijk al in zijn bezit. Dat verklaart het WTG eigenlijk zelf ook in een andere uitgave. In het boek “Inzicht” staat het volgende:

In de boodschap aan de engel van de gemeente in Filadelfia wordt over de verheerlijkte Jezus Christus gezegd dat hij “de sleutel van David” heeft en dat hij degene is “die opent zodat niemand zal sluiten en sluit zodat niemand opent” (Openbaring 3:7, 8).

Als de Erfgenaam van het met David gesloten verbond voor het Koninkrijk is aan Jezus Christus de leiding over het huisgezin des geloofs en de positie als hoofd over het geestelijke Israël toevertrouwd (Luk. 1:32, 33). Op grond van zijn door “de sleutel van David” gesymboliseerde autoriteit kan hij figuurlijke deuren (gelegenheden en voorrechten) openen of sluiten. Vgl. 1 Kor. 16:9; 2 Kor. 2:12, 13.

Verderop in ditzelfde boek wordt ook verteld dat Jezus Christus de sleutels van de afgrond aan het begin van Openbaring kreeg. Men brengt het nota bene in verband met Openbaring 9:1-11. Daarmee verklaart men in eens iets anders dan in het “Openbaringboek” en in de Wachttoren van 1 mei 1998. Zou men zelf niet meer weten wat men schrijft of leert. Dat zou goed kunnen want wie de waarheid verdraait, moet steeds heel goed onthouden welke onwaarheid gesproken is. Als je altijd de waarheid vertelt hoeft dat niet. Lees het volgende gedeelte uit “Inzicht” maar eens.

De “sleutel van de afgrond”

“In Openbaring 9:1-11 wordt het visioen beschreven van “een ster” uit de hemel die “de sleutel van de put van de afgrond” ontvangt.  Hij opent deze put vervolgens en laat er een zwerm sprinkhanen uit los. Die sprinkhanen hebben “de engel van de afgrond” tot koning. Aangezien Hades kennelijk inbegrepen is bij de in Romeinen 10:6, 7 genoemde afgrond (hoewel die niet beperkt is tot Hades), schijnt “de sleutel van de put van de afgrond” ook “de sleutels van de dood en van Hades” te omvatten, die volgens Openbaring 1:18 in het bezit zijn van de uit de dood opgewekte Jezus Christus.” Het gedeelte wordt als volgt afgesloten:

De laatste keer dat er melding wordt gemaakt van het gebruik van “de sleutel van de afgrond” is in Openbaring 20:1-7, waar volgens het daar beschreven visioen een engel die deze sleutel heeft, Satan in de afgrond slingert, waarna hij die boven hem sluit en voor 1000 jaar verzegelt.”

Aan het einde van die periode wordt Satan, kennelijk met gebruikmaking van de symbolische “sleutel” van autoriteit, uit zijn “gevangenis” losgelaten. Het hoeft weinig betoogt dat “de Engel” nog steeds dezelfde is als de Christus die in het begin van Openbaring de sleutels in bezit bleek te hebben. En terecht want waar het om gaat is dat alleen Christus de autoriteit heeft om satan in de afgrond te werpen. Christus had ook de autoriteit om satan voor een bepaalde periode de autoriteit te geven om zijn medestanders, die kennelijk opgesloten zijn in de “put des afgronds”, los te laten. Christus is dus degene die in Openbaring 9:1 aan de gevallen engel, of gevallen ster, satan een sleutel overhandigt. Dat is overduidelijk en zelfs het WTG komt via een omweg in hun lektuur tot deze conclusie. Helaas weten ze dat zelf niet.

De verwarring is zo groot geworden dat men niet meer de waarheid kan herkennen. Als ze zich overigens de moeite getroost hadden te kijken naar wat de oprichter van het WTG, Charles Taze Russel, over dit onderwerp geschreven heeft, had men ook kunnen weten dat degene die de sleutel gebruikte om de “put des afgronds” te openen, satan moet zijn. In zijn boek Finished Mistery uit 1917 staat dat gewoon te lezen. Door nu iets anders te leren was óf Russel óf is het WTG met afval bezig. Minstens één van de twee is een valse profeet. En wat er met een valse profeet zou gebeuren maakt Deuteronomium 18 duidelijk.

De “koning”

7) Degenen die in de afgrond zijn, zijn gezalfde Christenen.

4) De sprinkhanen hebben de engel van de afgrond over zich als koning.

Ja sorry hoor, maar hoe kan het WTG dat zich als “Gods enige officiële kanaal” op aarde voordoet, nu beweren dat sprinkhanen gezalfde Christenen zijn. Hier worden twee uitersten simpel met elkaar gelijkgesteld zonder zich blijkbaar ook maar even te bekommeren om wat er nu precies staat! Even terug naar wat we al besproken hebben.

1) satan is de ster die naar de aarde wordt neergeworpen (gevallen).

2) Eenmaal in zijn positie op aarde mag hij (satan) de sleutels gebruiken voor het ontsluiten van een plaats (put des afgronds) die zich in ieder geval niet in de hemel bevindt.

De genoemde plaats waar de sleutels voor bedoeld zijn, staat 100% tegenover de hemelse positie van God zelf. De Bijbel maakt zonder problemen duidelijk dat de afgrond de plaats is van vernedering en van dood. Romeinen 10:7: “Of, wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen.

Wie horen er in die afgrond thuis? Lukas 8:29-33 is heel duidelijk:

Want Hij had den onreinen geest geboden, dat hij van den mens zou uitvaren; want hij had hem menigen tijd bevangen gehad; en hij werd met ketenen en met boeien gebonden, om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen. En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zeide: Legio. Want vele duivelen waren in hem gevaren. En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in den afgrond heen te varen. En aldaar was een kudde veler zwijnen, weidende op den berg; en zij baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten in dezelve te varen. En Hij liet het hun toe. En de duivelen, uitvarende van den mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer; en versmoorde.”

De “duivelen” (anders gezegd: die van de duivel zijn) verblijven in de afgrond. Jezus had de macht om ze naar dat gebied te sturen waar ze blijkbaar niet meer uit kunnen, gezien dat zij “Hem baden hen niet te gebieden in de afgrond heen te varen”. Nergens in de Bijbel wordt de afgrond in verband gebracht met de plaats (verheven) waar God en degenen die bij Hem horen zich bevinden. Waarom doet het WTG dit dan wel. Het is toch vreselijk dat men de uitersten Hemel en afgrond zo door elkaar gooit. Wie dat doet volgt het voorbeeld van de diabolos (= de dooreenwerper) oftewel de satan. Kijk nog eens naar de alle plaatsen in Openbaring waar over de afgrond wordt gesproken. Wat mij betreft is er geen enkele twijfel over mogelijk dat de afgrond toebehoort aan de duisternis (satan) en ver weg is van het Licht (Christus).

Openbaring 9:1 – 
En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds.

Openbaring 9:2 – En zij heeft den put des afgronds geopend; en er is rook opgegaan uit den put, als rook eens groten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts.

Openbaring 9:11 
- En zij hadden over zich tot een koning den engel des afgronds; zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon, en in de Griekse [taal] had hij den naam Apollyon.

Openbaring 11:7 
- En als zij hun getuigenis zullen ge‘indigd hebben, zal het beest, dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.

Openbaring 17:8 
- Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.

Openbaring 20:1-3
: En ik zag een engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en een grote keten in zijn hand; En hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren; En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde [dien] boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.

Elke tekst waarin de afgrond voorkomt wordt negatief gebruikt. Het “wilde beest”, de duivel, de satanas, alles duidt op de duistere machten van deze wereld waar God een eind aan zal maken. Hoe is het dan mogelijk dat het WTG stelt dat uit deze afgrond “sprinkhanen” voortkomen die te identificeren zijn als gezalfde Christenen, als Gods volk. Dat kan toch nooit waar zijn. Ziet men echt niet in dat uit dezelfde afgrond niet twee zulke verschillende (goed en kwaad) zaken kunnen voortkomen? Op alle andere plaatsen in het “Openbaringboek” hebben ze het over satan en zijn gevolg of over het “wilde beest” die óf voortkomen uit de afgrond óf die neergeworpen en opgesloten worden in de afgrond.

4) De sprinkhanen hebben de engel van de afgrond over zich als koning

Dit is helemaal waar. Alleen zegt het WTG dat dit Christus is en de Bijbel toont aan dat dit niet kan zijn. De “engel die als een koning des afgronds” over de sprinkhanen heerst, heet in het Hebreeuws Abaddón. En in het Grieks Apóllyon. Wat betekent die naam? Een naslagwerk zegt: “Abaddon, en in de Griekse Abaddón in het Hebreeuws en Apóllyon in het Grieks, betekent verderf en verderver, en komt overeen met den naam, dien de apostel Paulus den antichrist geeft; 2 Thess. 2:3,4,9, als hij hem noemt de mens der zonde, en de zoon des verderfs, de tegenstrijder, en die zich verheft boven al wat God genaamd wordt, wiens komst is na de werking des satans.” De afgrond in Openbaring

Niemand haalt het ook maar in zijn hoofd om dit toe te passen op Christus. Het WTG wel. De Statenvertalers wisten goed waar ze het over hadden. Zij schrijven “koning” met een kleine letter. Als ze begrepen hadden dat die koning Christus moest zijn, hadden ze ongetwijfeld, net zoals elders, een hoofdletter gebruikt. Er had dan “Koning” gestaan. Maar voor de Statenvertalers was het volkomen duidelijk: Abbadón was koning over de in de afgrond verblijvende sprinkhanen. De sprinkhanen waren onderworpen aan satan zelf. Hij was hun koning. Dit betekent direct dat de sprinkhanen nooit gezalfde Christenen kunnen zijn. Sprinkhanen worden overigens in de Bijbel altijd met vernietiging geassocieerd, ook in Joël 2. De laatste paragraaf van hoofdstuk 22 uit het “Openbaringboek” van het WTG zegt:

“In plaats van het komende koninkrijk Gods aan te kondigen, hebben de geestelijken der christenheid het verkozen aan de zijde van Satans wereld te blijven. Zij willen niets te maken hebben met de sprinkhanen en hun Koning, over wie Johannes nu het volgende opmerkt: ‘Zij hebben een koning over zich, de engel van de afgrond. In het Hebreeuws is zijn naam Abbadón [wat “vernietiging” betekent], maar in het Grieks heeft hij de naam Apóllyon [wat “vernietiger” betekent]’ (Openbaring 9:11). Als “engel van de afgrond” en “Vernietiger” had Jezus werkelijk een kwellend wee over de christenheid losgelaten. Maar er zal nog meer komen!” De laatste paragraaf zegt dus duidelijk datJezus bekend staat als de “vernietiger”.

Hoe komt men daar bij? Deze titel behoort aan satan! De Christus Jezus die ik ken zou heel anders bekend komen te staan volgens het OT. Jesaja 9:6 zegt:

“Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst.”

Nergens wordt gesproken over Christus de “vernietiger”. Het is derhalve Godslasterlijk als het WTG Hem deze titel toebedeelt. Blijkbaar kent het WTG deze Christus niet. Zij hebben Hem verlaagd en satan verhoogd. Dat komt ondermeer terug in het gebruik van hoofdletters en kleine letters in de laatst aangehaalde paragraaf; let er maar eens op. Dat een organisatie die zichzelf uitgeroepen heeft tot “Gods enige zichtbare kanaal” zulke volstrekte onzin kan produceren is onbegrijpelijk. Het wordt evenwel veel minder onbegrijpelijk als we de eenvoudige waarheid toepassen dat “wat niet uit God is, uit satan is”. Oordeelt u voor uzelf of de uitleg omtrent de afgrond uit God of uit satan is! Mij is het in ieder geval wel duidelijk.

Dit onderwerp is ook als PDF beschikbaar.

De afgrond in Openbaring

De afgrond in Openbaring

Tags:

Voeg uw reactie toe

Translate »