De Vader is groter dan ik – Johannes 14

De Vader is groter dan ik – Johannes 14. Misschien is het spreken met Jehovah’s Getuigen over de Godheid, over de Here Jezus Christus, wel het moeilijkste wat er is. Niet voor niets staan op deze website heel wat artikelen die direct of wat minder direct over dit thema handelen. Niet zelden leidt het tot hevige verontwaardiging, waarbij direct “de verdediging” wordt opgetrokken. Met “materiaal” dat ingebracht is door het wachttorengenootschap (WTG) en als absolute waarheid wordt beschouwd.

Vaak wordt Genesis 1 : 26 genoemd: En God zeide: “Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.” Uiteraard buiten de context en bedoeld om te “bewijzen” dat hier al in Genesis 1 : 26 een conversatie wordt weergegeven tussen de Vader Jehovah en de Zoon Jezus Christus. Zie artikel “Laat ons mensen maken”.

Jehovah’s Getuigen “graven zich vast in”

In dit artikel gaat het over de woorden van de Here Jezus in Johannes 14 : 28. Deze Bijbeltekst wordt altijd “in stelling gebracht” door de Jehovah’s Getuigen om te bewijzen dat Vader en Zoon niet Dezelfde kunnen zijn. Alle andere teksten in het Nieuwe Testament die over dit onderwerp gaan, komen niet aan bod. En meestal blijft het daarbij. Ruimte om het onderwerp goed te onderzoeken is er dan niet meer. Men “graaft zich vast in”, vooral met deze tekst. Er komt niks anders meer binnen. En dat is heel jammer. Johannes 14 : 28 zegt in de Statenvertaling (SV) en in de Nieuwe Wereldvertaling (NWT):

SV: … Ik ga heen tot den Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik. 
NWT: dat ik naar de Vader ga, want de Vader is groter dan ik.

Vanuit een vernederde positie spreekt Jezus met de Vader

Dat het wachttorengenootschap deze tekst gebruikt, komt voort uit het niet begrijpen over welke “functies”, en dus “onderlinge verhoudingen” het hier gaat. Kennelijk heeft het WTG door al het inbrengen van eigen leer, niet meer in de gaten dat de situatie in Johannes 14, kort vóór het sterven van de Here Jezus, wezenlijk anders is dan een paar dagen later. Het is de volkomen mens Jezus, níet in de “functie” van God Zelf zijnde, omdat “Hij Zichzelven vernederd heeft” (Filippenzen 2), Die vanuit die lagere, vernederde, “voor een korte tijd minder dan de engelen gemaakte” (Hebreeën 2) positie spreekt met de Vader.

De Here Jezus in het vlees is op dat moment niet de “gelijke” van God Zelf. De vernedering, nodig om als volkomen mens op aarde te kunnen komen, bracht de Here Jezus in een duidelijk lagere positie. Vanuit die positie, in vernedering, “de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende“, (Filippenzen 2) sprak Hij met de Vader, die uiteraard op dat moment wel de positie had van God Zelf. In dat geval is de uitspraak “Mijn Vader is meerder dan Ik”, volkomen terecht. Het gaat immers om de “Allerhoogste”, tegenover de “vernederde”.

De “mindere” gaat tot de “Meerdere”

Het handelt hier over “tot den Vader gaan”. Het verbindingswoordje “want” legt uit waarom “Ik” (de Here Jezus vóór Zijn sterven) tot de Vader gaat. De Vader is namelijk “meerder”, “hoger van positie”, dan de Here Jezus op dat moment. De “vernederde” zou tot de Allerhoogste gaan. Dat is ook de normale route. De “lagere” doet een beroep op de “Hogere”. De “mindere” die het leven uit de a.s. dood zou moeten gaan ontvangen, gaat tot de “Meerdere”, Die de macht heeft om dat te doen.

De Here Jezus kondigt tegenover Zijn discipelen aan dat Hij binnenkort “gaat ontvangen van de Vader”. “Vader” is in de Bijbel synoniem met “Gever”. De Vader zou Jezus, op grond van zíjn geloof (het geloof ván Jezus dus) aanstellen tot Zoon (Erfgenaam), tot Christus, tot Koning van het Nieuwe Verbond, tot Hoofd van Zijn Lichaam tot Hogepriester en nog meer. Hij zou dan ook de Naam Jehovah, de Allerhoogste Naam, rechtmatig erven. Het was al lang van te voren aangekondigd en vastgelegd. En dat allemaal op één dag… Die op dat moment dus nog komen moest. En dus wast het “Mijn Vader is meerder dan ik“, terecht op dat specifieke moment in de Heilsgeschiedenis. Nog vóórdat de Here Jezus, Christus werd en toen ook “de Zoon”, de “Erfgenaam aller dingen”. Zoals Paulus het zegt in Hebreeën 1: “Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, …”

Onderzoek zelf hoe het in elkaar steekt volgens de Bijbel

Het bovenstaande zal hoogstwaarschijnlijk nieuw zijn voor een Jehovah Getuige, want het wachttorengenootschap leert het zo niet. Maar gooi wat er staat om die reden niet direct aan de kant. Onderzoek zelf hoe het in elkaar steekt volgens de Bijbel. Dan bedoel ik wel de Statenvertaling, in het Nederlandse taalgebied. De Nieuwe Wereldvertaling is in de praktijk niet te gebruiken, in ieder geval niet zonder vergelijking met andere vertalingen, omdat de Nieuwe Wereldvertaling aangepast is aan de leer van Jehovah’s Getuigen.

De Auteur van de Bijbel – God Zelf – vertelt ons mensen Zijn heilsplan in de woorden en begrippen die wij tot een bepaalde mate kunnen begrijpen. In dit verband gaat het om “Vader”, wat dus staat voor (Leven)”Gever”. Wij als mensen behoren te weten wat het begrip “Vader” wil zeggen; in ieder geval in de Bijbel. Dat is niet moeilijk en dat is voldoende voor ons. Maar als we er een andere betekenis aan geven, zoals het WTG doet door er “biologie” van te maken (zoals het is bij vader en zoon bij mensen) dan gaat het fout. Dan snappen we het niet meer en moet er heel wat veranderd worden in de Bijbel om wat men leert “kloppend te krijgen”. Dit is helaas wat er gebeurt onder leiding van het wachttorengenootschap.

Niet alles is in volle diepte te begrijpen voor ons menselijk verstand

Lang niet alles is in volle diepte te begrijpen voor ons menselijk verstand. Zo begrijp ik ook niet hóe (“technisch”) God, de Onzichtbare, de Onkennelijke, in de gedaante van Jehovah “Zichzelven vernederd heeft“, om daarna als embryo in Maria het ons bekende “wordingsproces” van een mens in te gaan. Waarna Hij geboren werd als baby, niks wist wn “leeg” was. Net als elk ander mens moest hij “gevuld” worden. Opgroeien en van anderen en vooral uit de Schriften leren Wie Hij was en wat Hem te doen stond. Ik begrijp dan evenmin precies hoe het mogelijk is dat de “vernederde”, de “volkomen mens” Jezus, die op dat moment dus ook de “voor een korte tijd minder dan de engelen gemaakte” Jehovah van het Oude Verbond is, met de Onzichtbare, de Onkennelijke kan praten. En andersom. Hóe kan dat allemaal? Hoet is dit “technisch” te verklaren? Ik weet het niet; ik ben veel te klein van verstand om dat te doorgronden.

Maar gelukkig wordt mij dit ook niet gevraagd. Het enige dat God aan mij vraagt – en aan u – is om het te geloven. Te aanvaarden dat het zo is, zoals Hij zegt. En dat doe ik! In de toekomst, als ik Hem van aangezicht tot aangezicht mag aanschouwen, als we “gelijkvormig worden aan Zijn heerlijk lichaam“, (Filippenzen 3 : 21) dan lukt het misschien wel om de “diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods” (Romeinen 11 : 33) te bevatten.

Het buiten de context plaatsen van Johannes 14 : 28

Het WTG plaatst Johannes 14 : 28 buiten de context. Een JG leest alleen even snel dit vers en verkondigt dan wat hem in de JG-lectuur ontelbare malen geleerd is. De context van het hoofdstuk, van heel het Evangelie van Johannes, van alles wat Johannes geschreven heeft, van het Nieuwe Testament, van de hele Bijbel, wordt niet eens een beetje betrokken bij het nadenken over wat hier nu staat. Zo kun je geen bijbelstudie doen; dan begrijp je er niks meer van.

We zullen ons beperken tot de context van hoofdstuk 14 van Johannes. Dat is al duidelijk genoeg. Misschien is het ook wel handig om het artikel “Wie is dé Vader in de Bijbel” op deze website door te nemen. Want Jehovah’s Getuigen denken dat Jehovah de Vader is, terwijl dat nergens in de Bijbel te vinden is. Ook andere artikelen maken helder dat Vader en Zoon in de Bijbel over functies, plan, uitvoering en erfrecht gaan. En niet over biologie, zoals het WTG dat er wel van maakt, als het gaat om Jehovah en Jezus.

Met name de “functies” van God Zelf, beschreven in Vader en Zoon, komen aan bod in Johannes 14. Waarbij het de Zoon is die het e.e.a. doet. De Zoon werkt het Plan uit van de Vader, Die geeft. Vers 2 en 3 zeggen:

In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.
En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.

Vers 6:
Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.

Wil je tot de Vader komen? Die immers de Weg, de Waarheid en het Leven geeft – dat geven is namelijk wat de Vader doet – dan kan dat alleen door Mij. Mij kennen is de Vader kennen. Vers 7:

Indien gijlieden Mij gekend hadt, zo zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu kent gij Hem, en hebt Hem gezien.

De Vader is God Zelf en Die kan niet gezien en niet gekend worden. Maar toch zegt de Here Jezus: Je kunt Hem wél zien, hem toch kennen. Als je Mij kent namelijk, Mij hebt gezien, dan heb je de Vader gezien. Vers 9:

Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; …

Geloof Mij nu maar, zegt de Here Jezus, als ik jullie vertel van de Vader. Vers 11:

Gelooft Mij, dat Ik in den Vader ben en de Vader in Mij is; …

Dit is niet gesproken tot alleen de discipelen van toen, maar tot állen die geloven. Daarna gaat het weer over de werken van de Zoon, in “opdracht” van de Vader. Vers 12:

Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meerder doen, dan deze; want Ik ga heen tot Mijn Vader.

Het woord “meerder” wordt ook gebruikt in vers 28 en ook in dit vers in combinatie met “Ik ga heen tot de (nu “Mijn”) Vader”. De NWT heeft voor vers 12:

Echt, ik verzeker jullie: wie in mij gelooft, zal ook de dingen doen die ik doe, en hij zal nog grotere dingen doen, want ik ga naar de Vader.

Het gaat dus over “doen” van de Here Jezus, later in Zijn positie als Zoon. Vers 13 zegt dan ook:

En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde.

Het doen van de Zoon is bedoeld om de Vader ín de Zoon te verheerlijken. Dat spreekt over complete Eénheid. Dat verheerlijken van de Vader in de Zoon gaat via het gehoor geven aan wat “gij” (gelovigen) in Christus Naam, die van de Zoon dus, zouden begeren, zouden vragen. Vers 14:

Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen

De Zoon zal het doen. Daartoe is Hij aangesteld en vanuit die positie “bidt” hij de Vader, want als het om “geven” gaat, dan komt dat in de Bijbel altijd van de Vader af. Hij geeft. Zo zit dat nu eenmaal in elkaar. Dus vers 16:

En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid;

De Zoon doet; Hij bidt. De Vader geeft; in dit geval de “anderen Trooster”. Ook hier gaat het weer om het overbrengen welke “functies” (verantwoordelijkheden) de Zoon heeft en welke de Vader heeft. Ze zijn van elkaar verschillend. Zo wordt het ons in de Bijbel geleerd. Zo werkt God Zijn Plan in Christus uit. We hebben dat maar te accepteren. Te geloven. Niet wegwerken, omdat we het niet begrijpen, zoals het WTG doet, maar laten staan waar het staat en geloven wat God gesproken heeft. Daarna zullen we het ook begrijpen. Overigens is het voor iedereen bekend dat verschillende functies (posities) prima door één hetzelfde wezen uitgevoerd kunnen worden. Dat is gewoon de praktijk van ons leven.

Wat volgt is het gedeelte over de Here Jezus Christus die bij zijn discipelen zal blijven, maar dan als een andere Trooster, de Heilige Geest, omdat deze niet voor de wereld bestemd is. Hij is niet te zien, maar zal wel gekend worden door de gelovigen vanaf de opstanding van de Here Jezus. Hij zal zelfs ín hen zijn. Vers 17-18:

[Namelijk] den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.
Ik zal u geen wezen laten; Ik kom [weder] tot u.

“Weder” staat er niet in de grondtekst. Er staat: “Ik kom tot u”. Wat de Here Jezus eerst de “andere Trooster” noemt, is Hij uiteindelijk zelf, maar toch wat anders. Hij zal ze Persoonlijk bijven verzorgen, uitgedrukt in “geen wezen laten”. Niet zonder Vader dus. Hij zou hun Vader zijn, zegt Hij hier al. Hij was de Zoon, maar ten opzichte van Zijn discipelen zou Hij – in de toen zeer nabij zijnde Nieuwe Schepping (Nieuwe Verbond) – de Vader (de Gever) zijn. Weer geen “biologie”, maar een verklaring van hoe het werk des Heeren in elkaar steekt. Het gaat om verhoudingen, “functies” van de een t.o.v. de ander.

Vers 19 zegt wat de Here Jezus Christus vanaf een paar dagen later te geven had. Dat is leven! Uiteraard leven in de Nieuwe Schepping, die onvergankelijk is:

Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven.

De Here Jezus Christus kondigt zijn “andere verschijning” aan. Niet zichtbaar voor iedereen, maar wel voor wie in Hem geloven. Omdat Hij leeft, zullen de gelovigen leven; ín Hem. Vers 20:

In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u.

Dan zullen jullie weten, ervaren, “bekennen”, dat de Zoon in de Vader is. En daarna: “gij in Mij en Ik in U”. Het spreekt over één grote Eénheid, maar dan wel alleen ín Christus. Vers 21 gaat daar op door:

Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en (namelijk) Ik zal hem liefhebben, en (dat is) Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.

Weer die diepe Eénheid tussen Vader en Zoon. Wie het aandurft om het voegwoordje “en” te lezen als “namelijk”, omdat het een verklaring betreft van wat er voor staat, ziet helemaal snel wat er gezegd:

… die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; namelijk Ik zal hem liefhebben, dat is Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.

Dan wordt Jezus gevraagd uit te leggen wat dat is “Mijzelven (Uzelven) openbaren” aan de gelovige. Het antwoord volgt in vers 23:

…: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.

De vraag gaat over de Here Jezus Zelf. Er wordt gevraagd naar de openbaring van “Mijzelven”. De Heer begint met “zo iemand die Mij liefheeft”. De wereld zal hem niet liefhebben en Zijn Woord bewaren, maar… de gelovige (zo iemand) wel. Normaal gesproken had dan moeten volgen: “Ik zal hem liefhebben en ik zal tot hem komen”. Ook als logisch vervolg op “Ik kom tot u” in vers 18. Maar dan staat er ineens “Mijn Vader zal Hem liefhebben“. Daarin is de diepe eenheid van Vader en Zoon al heel mooi weergegeven. Maar het wordt nog mooier: “Wij zullen tot hem komen“, staat er dan. Dit is in volledige harmonie met de lering in de Bijbel dat Vader en Zoon Eén Zijn. Er wordt weliswaar over verschil in functies gesproken, maar ook over eenheid in Wezen. De Vader en Zoon zullen tot de discipelen komen om “woning bij hem te maken“, om bij hem te blijven. Dat is hetzelfde als “plaats bereiden” in vers 2 en 3.

Komen er dan Twee? Nee, niets in dit hoofdstuk wijst daar op. Hoe het ook “gepresenteerd” wordt, onder welke “functie” dan ook, het gaat altijd om de opgestane Here Jezus Christus. De Ene. Hij maakt “woning” en zal bij, ja zelfs ín, de gelovigen zijn vanaf de opstandingsdag.

Vers 24 heeft het over “Mijn Woorden”, die van de Vader zijn, Die de Zoon gezonden heeft. Weer de benadrukking van volkomen éénheid, hoewel er twee “functies” worden genoemd.

Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet; en het woord dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, Die Mij gezonden heeft.

Dan weer in vers 25 gaat het over dat “deze dingen” door de Here Jezus tot zijn discipelen gesproken zijn, terwijl hij nog bij hen is. Via het voegwoord “maar” wordt de verandering aangegeven. Niet meer de Here Jezus, maar de Heilige Geest, uiteraard gegeven (gezonden) door de Vader, want dat is de “functie” van de Vader nu eenmaal. Hier wordt dus aangekondigd dat de Heilige Geest hen later álles zou leren en in de herinnering zou brengen wat de Here Jezus gezegd had. En dat is natuurlijk wel heel erg prettig als het Nieuwe Testament nog geschreven moet worden om de Bijbel – Gods Woord – compleet te maken. Vers 26:

Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.

Eerder zagen we dat de Here Jezus zelf naar zijn discipelen zou komen. We zagen ook dat Vader en Zoon – “Wij” – tot de gelovige zou komen. En nu krijgen we weer twee “functies” er bij: Trooster en Heilige Geest. Het moge duidelijk zijn dat steeds Dezelfde komt, maar onder verschillende “posities” en in wat andere “functies” of “omstandigheden”. Maar in Wezen is het Eén, God Zelf.

Vers 27 maakt ook weer duidelijk dat de Here Jezus zelf komt, nadat Hij even “weg zou zijn”. Het gaat maar om een paar dagen…:

Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd.

En na dit alles, waarin de diepe Eénheid tussen Vader en Zoon verteld is. Waarin de “functiewijziging” aangegeven is van de zichtbare Here Jezus naar de onzichtbare Heilige Geest, die ook als Trooster, maar dan wat anders van opzet, zou optreden. Na dit, komt de Here Jezus nog even terug op wat Hij gezegd heeft in vers 18 en 21: “Gij hebt gehoord, dat ik tot u gezegd heb“. Hij brengt hen in herinnering dat Hij naar de Vader gaat. Om wat te doen? Vers 3 zegt: “om u plaats te bereiden”. Het gaat dus weer om de activiteit van de Zoon. Hij gaat iets doen, iets uitvoeren, wat in het Plan van de Vader is opgenomen. Namelijk “plaats bereiden” voor de discipelen. Dat betekent dat er dus plaats “gegeven worden” gaat worden. En als er gegeven wordt in de Bijbel, dan wordt dat per definitie door de Vader gedaan. Geven is de “taak” van de Vader. Vers 28:

Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en kom [weder] tot u. Indien gij Mij liefhadt, zo zoudt gij u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot den Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik.

En in dat opzicht is de Vader meer dan de Zoon. De Gever is de hoogste. Wat er te geven is, is van de Vader. In dit geval is het “plaats”, “verblijf” (woning), bij de Vader. Vers 2 begint met: “In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen”. In de “functie” van de Vader zit het geven, niet in de “functie” van de Zoon. De Vader heeft “woonruimte” te vergeven.

In die zin zou je ook kunnen zeggen wat de NWT heeft: “Is de Vader groter (gaat dan over positie) dan de Zoon”, hoewel ik persoonlijk de keuze van de Statenvertalers met “meerder”, in de zin van “de meerdere”, beter vind. De vertaling van het Griekse woord “meizōn”, in de SV vertaald met “meerder” en in de NWT met “groter”, kan ook “ouder”, in de zin van “oudere rechten” betekenen. Ook niet vreemd in dit geval, want de Vader (van het Plan) is er altijd eerder dan de Zoon (de Uitvoerder van het Plan).

Het gaat hier in Johannes 14 : 28, gezien de ruime context, in ieder geval niet om een nadere verklaring van de “biologie-uitleg van het wachttorengenootschap” dat Jehovah God de Vader is, en Jezus Christus Zijn Zoon. Zijnde twee individuele Wezens. Jehovah als de Ware God en Jezus als een god. Men wil het wel graag in het woordje “groter” leggen, maar dat is uiteraard niet terecht. Bovendien vinden we in de hele Bijbel nergens “Vader Jehovah” genoemd. En dat is toch vreemd, als het zo’n belangrijk item – volgens de JG – in de Bijbel zou zijn. De combinatie “Zijn Zoon Jezus Christus” vinden we wel. En dan toegepast vanáf Zijn opstanding. Bijvoorbeeld in 1 Korinthe 1 : 9, waar het gaat om de gemeenschap (samenleving) van de gelovigen in Zijn Zoon Jezus Christus.

God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere.

God Zelf verzoent de wereld met Zichzelf in Christus

Uiteindelijk is het weergeven van die diepe éénheid tussen Vader en Zoon terug te vinden in Wie de ontstane problemen met deze oude schepping zou oplossen. Zoals een vroeger bekend Evangelist eens zei: “Het zondeprobleem was Gods probleem en Hij heeft dat ook Zelf opgelost.” God, de Schepper, is de Vader van het vooraf gemaakte Heilsplan. Dat plan leidt vanuit een gevallen schepping, via een tijdelijke herschepping, naar een eeuwig blijvende en onvergankelijke Nieuwe Schepping. Dat hele proces doet Hij in de “functie” van Christus, van dé Zoon. Maar het is God Zelf, die het doet. Dat leert ook de Apostel Paulus, in 2 Korinthe 5 : 19:

Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.

Het is God zelf Die het “zondeprobleem” oplost. Hij “stuurt” niet “Iemand anders”, zoals her en der geleerd wordt. Nee, Hij lost Zelf op wat er in “de wereld die over lang geweest is”. (2 Petrus 3) fout gegaan is. Dat Plan heeft God gemaakt al “vóór de nederwerping der wereld”. Het dateert van vóór “de val van de schepping”. Dat is ruim vóór Adam. Ook dit is het onderzoeken (Bijbelstudie) meer dan waard. In ieder geval wordt Gods Plan (waarvan God “Vader” is) uitgevoerd in de “functie”, “positie”, de “Persoon van” de Here Jezus Christus”, Die de tweede (en laatste) Adam is. Zo wordt het ons verteld in de Bijbel en zo zouden we het ook aanvaarden.


De Vader is groter dan ik – Johannes 14

De Vader is groter dan ik – Johannes 14

Geef een reactie

Translate »