Een volk voor Gods Naam

Een volk voor Gods Naam. Een vergelijk tussen Jesaja 43 en Handelingen 15. Het WTG noemt zich Getuigen van Jehovah en daarom zijn zij – zo menen zij – de vervulling van de volgende tekst uit Handelingen 15:14: Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam.

Welke Naam moeten wij in deze tijd aanroepen? Jehovah’s Getuigen stellen dat zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament met die Naam Jehovah wordt bedoeld. Maar is dat werkelijk zo? Welke Naam moeten wij in deze tijd aanroepen, zegt de Bijbel?

Jesaja profeteerde over Israël en verkondigde dus Gods woord aan de Israëlieten en aan geen ander volk. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Paulus die het was toevertrouwd het woord te brengen aan een ieder over de gehele aarde.

Titus 1:3 –[Namelijk] Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, [mijn] oprechten zoon, naar het gemeen geloof:

Paulus werd persoonlijk door de Here Jezus Christus aangesteld, zoals Handelingen 9 zegt:

5. En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.
6. En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere [zeide] tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal [aldaar] gezegd worden, wat gij doen moet.
15. Maar de Heere zeide tot hem: Ga heen; want deze is Mij uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israëls.
16. Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.

20. En hij predikte terstond Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is.
21. En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie dezen Naam aanriepen, die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden zou brengen tot de overpriesters?
22. Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damaskus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is.

Paulus was aangesteld om het Evangelie van Christus aan ieder mens te brengen. Die Naam heeft hij gedragen en wereldwijd verkondigd aan Israëlieten en niet-Israëlieten. Paulus predikte terstond dat Jezus de Zoon van God is. In de Bijbel betekent Zoon overigens niet anders dan Erfgenaam en Vader betekent Erflater. Enkele teksten van Paulus over zijn prediking.

Romeinen 1:16 – 
Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een ieder, die gelooft, eerst den Jood, en [ook] den Griek.

Romeinen 2:9
 – Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en [ook] van den Griek;

Romeinen 2:10
 – Maar heerlijkheid, en eer, en vrede een iegelijk, die het goede werkt, eerst den Jood, en [ook] den Griek.

Romeinen 10:12
 – Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen.

Galaten 3:28
 – Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt een in Christus Jezus.

Kolossenzen 3:11
 – Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar [en] Scyth, dienstknecht [en] vrije; maar Christus is alles en in allen.

Jesaja verkondigde dus het woord van Jehovah aan de Israëlieten en Paulus het woord van de Here Jezus Christus aan alle mensen.

Jesaja 43

Overal waar dus de HEERE spreekt wordt op dat moment Jehovah bedoeld als “Man” of de ene partij in het verbond met Israël dat “de vrouw” wordt genoemd. Alles wat er gezegd wordt, slaat dus op Israël.

1. Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israel! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.
2. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.
3. Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israels, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven [tot] uw losgeld in uw plaats.
4. Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik mensen in uw plaats gegeven, en volken in plaats van uw ziel.

5. Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van den opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van den ondergang.
6. Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde;7. Een ieder, die naar Mijn Naam genoemd is, en dien Ik geschapen heb tot Mijn eer, dien Ik geformeerd heb, dien Ik ook gemaakt heb.
8. Breng voort het blinde volk, hetwelk ogen heeft, en de doven, die oren hebben.
9. Laat al de heidenen samen vergaderd worden, en laat de volken verzameld worden; wie onder hen zal dit verkondigen? Of laat hen ons doen horen de vorige dingen, laat hen hun getuigen voortbrengen, opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hore en zegge: Het is de waarheid.

10. Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben, [dat] voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal.
11. Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij.
12. Ik heb verkondigd, en Ik heb verlost, en Ik heb [het] doen horen, en geen vreemd [god] was onder ulieden; en gij zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, dat Ik God ben.
13. Ook eer de dag was, ben Ik, en er is niemand, die uit Mijn hand redden kan; Ik zal werken, en wie zal het keren?

14. Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israels: Om ulieder wil heb Ik naar Babel gezonden, en heb hen allen vluchtig doen nederdalen, te weten de Chaldeen, in de schepen, op welke zij juichten.
15. Ik ben de HEERE, uw Heilige; de Schepper van Israel, ulieder Koning.
16. Alzo zegt de HEERE, Die in de zee een weg, en in de sterke wateren een pad maakte;17. Die wagenen en paarden, heir en macht voortbracht; te zamen zijn zij nedergelegen, zij zullen niet weder opstaan, zij zijn uitgeblust, gelijk een vlaswiek zijn zij uitgegaan.
18. Gedenkt der vorige [dingen] niet, en overlegt de oude dingen niet.

19. Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult gijlieden dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, [en] rivieren in de wildernis.
20. Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, [en] rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.
21. Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.
22. Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob! als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israel!
23. Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen, en [met] uw slachtofferen hebt gij Mij niet geëerd; Ik heb u [Mij] niet doen dienen met spijsoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook.

24. Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht, en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt, met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
25. Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.
26. Maakt Mij indachtig, laat ons te zamen richten, vertelt gij [uw] [redenen], opdat gij moogt gerechtvaardigd worden.
27. Uw eerste vader heeft gezondigd, en uw uitleggers hebben tegen Mij overtreden. 

28. Daarom zal Ik de oversten des heiligdoms ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven, en Israel tot beschimpingen.

De profetieën die Jehovah, door de mond van zijn profeten, aan Israël uitspreekt (in dit geval Jesaja), spreken altijd over een oordeel voor Zijn volk Israël maar ook over een herstel en een uitvoering van de allereerste belofte aan Abraham, Isaäk en Jakob. Als God iets aan zijn uitverkorenen beloofd, zal hij dat altijd uitvoeren!! Op zijn tijd, waarmee ik wil zeggen dat het niet belangrijk is dat mensen denken dat zijn beloftes aan Israël niet vervuld zijn en zomaar overgegaan zijn op niet-Israëlieten.

21: “Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.”

Dit moet dus nog gebeuren door het letterlijke Israël. Dat volk moet Gods lof nog gaan vertellen! Dan zal in het volgende ook in vervulling gaan.

25: Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.

Jehovah heeft Israël lang geleden uitverkoren en dat heeft Hij nooit ongedaan gemaakt.

10: Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben, [dat] voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal.

De diverse profetieën spreken er wel over dat Hij Zijn volk voor een bepaalde tijd ter zijde zou stellen. O.a.: Hosea spreekt er over dat Israël eenmaal niet Gods volk (Lo-Ammi) zou zijn en daarna weer wel (Ammi).

Hosea 1:9
 – En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik [ook] de uwe niet zijn.

Hosea 2:1 (1:12)
 – Zegt tot uw broederen: Ammi, en tot uw zusteren: Ruchama.

Hosea 2:23 (2:22)
 – En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!

Het is dus Israël dat tegen Jehovah zal zeggen “O, mijn God” en Jehovah zal op dat moment tegen “niet mijn volk” (Lo-Ammi) zeggen: “Gij zijt Mijn volk” en vervolgens zal Hij zich weer (opnieuw) over Zijn volk ontfermen. Het hoeft denk ik geen betoog dat dit nog moet gebeuren. Ook andere profetieën wijzen daarop (bijv. Ezechiël 37-39) De toekomst voor het gehele volk Israël, dat nu nog over de hele wereld verspreid is, staat echter in de Bijbel; het zal dus gebeuren, ook al geloven mensen dat niet.

Handelingen 15

Met in gedachten de belofte voor Israël en dat Paulus door Christus persoonlijk werd aangesteld om Zijn Evangelie te verkondigen aan Israël in verstrooiing, en aan de “heidenen”, kunnen we nu gaan lezen wat Handelingen zegt. We zullen ons in dit geval beperken tot een deel van het hoofdstuk dat handelt over Paulus bezoek aan Jeruzalem.

Handelingen 15:8-18:

8. En God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons;
9. En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof.
10. Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?
11. Maar wij geloven, door de genade van den Heere Jezus Christus, zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.
12. En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen, wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had.
13. En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij.

14. Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit [hen] een volk aan te nemen door Zijn Naam.
15. En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is:
16. Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten.
17. Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet.
18. Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.

Jakobus neemt dus het woord in vers 13 en zegt in vers 14 dat Simeon verteld heeft dat God eerst de “heidenen” bezocht heeft om uit hen een volk aan te nemen voor zijn naam. Daarna zou God zich weer richten op de “tabernakel van David”. Hij verwijst naar de profeten uit het Oude Testament. Het stemt o.a. overeen met de profetie van Amos 9. In vers 9:11,12 staat als vervolg op de tijd van oordeel over Juda:

11. Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten, en zal ze bouwen, als [in] de dagen van ouds;
12. Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt de HEERE, Die dit doet.

Naar wie verwijst Jakobus als hij het over Simeon heeft? Hij verwijst daar naar de Simeon uit Lukas 2:30-33, die na de geboorte van Jezus het volgende zei:

Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken: Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israel. En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd.

De clou van deze geschiedenis zit er in dat Simeon de volgorde inzake het heil voor de heidenen en Israël door elkaar haalt in de ogen van zijn toehoorders. Jozef en Jezus’ moeder verwonderden zich daarover, zo staat er. Bij Jezus’ geboorte verwachtte iedereen namelijk dat eerst Israël door God verlost zou worden en dan pas de heidenen. In dit verband haalt Jakobus daarom de woorden van Simeon aan en bevestigt dat God eerst een volk voor Gods Naam uit de heidenen zou nemen en dan weer verder zou gaan met wat de profeten over Israël geprofeteerd hadden. Dit klopt helemaal met de rest van de Bijbel en met wat wij in de periode sinds Jezus’ dood en opstanding, hebben gezien.

Verborgenheid

In de dagen van Simeon had men nog geen weet van de grote verborgenheid die in Gods Heilsplan was “neergeschreven”. Als het goed is hebben wij dat wel, want het was vooral aan Paulus gegeven die verborgenheid aan het licht te brengen. Dat kon en moest toen, omdat God Israël als volk voor een bepaalde tijd terzijde had geschoven. Paulus en anderen hebben het regelmatig over die verborgenheid. De volgende teksten gaan daarover:

Romeinen 11:25 – 
Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.

Romeinen 16:25
 – Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die [van] de tijden der eeuwen verzwegen is geweest;

1 Korinthe 2:7
 – Maar wij spreken de wijsheid Gods, [bestaande] in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was;

1 Korinthe 15:51 – 
Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;

Efeze 1:9 
- Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven.

Efeze 3:3,4
 – Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige [woorden] te voren geschreven heb;
4 Waaraan gij, [dit] lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus)
,

Efeze 3:9
 – En allen te verlichten, [dat] [zij] [mogen] [verstaan], welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van [alle] eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus;

Efeze 5:32 – 
Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg [dit], [ziende] op Christus en op de Gemeente.

Efeze 6:19 – 
En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken;

Kolossenzen 1:26,27 – 
[Namelijk] de verborgenheid, die verborgen is geweest van [alle] eeuwen en van [alle] geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid;

Kolossenzen 2:2
 – Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en [dat] tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus;

Kolossenzen 4:3
 – Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben;

2 Thessalonicenzen 2:7 
- Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, [Die] [zal] [hem] [wederhouden], totdat hij uit het midden zal [weggedaan] worden.

1 Titus 3:9
 – Houdende de verborgenheid des geloofs in een rein geweten.

1 Titus 3:16
 – En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.

Het begrip “naam”

Er blijft nog één begrip over om te bespreken. Dat is het begrip Zijn Naam. Onlangs zag ik op een foto bij een artikel over Jehovah’s Getuigen een Bijbeltekst die in 1998 in elke Koninkrijkszaal hangt. Het is Romeinen 10:13; volgens de nieuwe wereldvertaling staat daar:

Een ieder die de naam van Jehovah aanroept zal gered worden.

In de Statenvertaling staat die tekst er zo: Want een ieder, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.

In alle andere vertalingen staat nooit Jehovah op de plaats van “Naam des Heeren”. Dat Jehovah’s getuigen dit wel doen, heeft te maken met hun onbegrip over God. Het kan absoluut niet dat op deze plaats Jehovah geschreven wordt, waarin de grondtekst “Naam des Heeren” staat. Het antwoord staat eigenlijk al één vers er voor:

12. Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen. Want Eenzelfde is Heere over allen, Jood en Griek, die Hem aanroepen.

Met die Hem wordt Christus bedoeld, want Die is het gegeven Heere en God over allen die geloven te zijn. In het geval van Jesaja was het Jehovah die Heere was over Zijn volk Israël en niet over allen. Filippenzen 3:8-10 zegt dezelfde Paulus wie zijn (en dus ook mijn) Heere is:

8. Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.
9. En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, [namelijk] de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof;
10. Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende;

17. Weest mede mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die alzo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt.

20. Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, [namelijk] den Heere Jezus Christus;

In hoofdstuk 2 legde Paulus nogmaals uit hoe het met de Godheid zit.

5. Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was;
6. Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn;
7. Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;
8. En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.
9. Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;
10. Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.
11. En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.

God heeft de Naam de Here Jezus Christus boven alle naam verheven. Daarom: “Alle tong moet belijden dat Jezus Christus de Heere zij,” zegt Paulus.

Dat betekent dat iedereen moet uitspreken dat Jezus van Nazareth na zijn dood en opstanding tot Christus en Heere (God) werd aangesteld. De Naam Jehovah alleen maakte a.h.w. plaats voor de Naam Jehovah Jezus Christus, zegt Paulus. Uiteraard is hierover nog veel meer te vertellen. Wie dit wil, is vrij om dat te vragen.

Het probleem waarom de Jehovah’s Getuigen Christus niet als God erkennen, voor wie iedereen zich moet buigen, zit hem ondermeer in het begrip “naam”. Jehovah’s Getuigen komen helaas niet verder dan de smalste betekenis van het begrip naam: hoe iemand genoemd wordt! Maar elk woordenboek geeft al aan dat er ook andere betekenissen van het woord “naam” zijn. Kijk het maar na Kramers Nieuw Woordenboek zegt o.a.:

2) bekendheid, faam, bijv.: een goede of kwade naam hebben; bekend staan.

Hoe iemand bekend staat, welke identiteit hij heeft, het hele verhaal eromheen, is derhalve weergegeven in het begrip “naam”. Als er wordt gezegd: “hij heeft z’n naam gevestigd”, gaat dat altijd over het hele verhaal wat achter dat ene woordje zit.

Bij de “Naam des Heren” is dat niet anders. Het is het hele wezen van God zelf dat daarachter zit. In het Oude Testament was werd maakte God zich bekend als Jehovah. In het Nieuwe Testament als de Here Jezus Christus. Voor de Jehovah’s Getuigen is dat misschien moeilijk te begrijpen om dat het er uit alle macht in getimmerd is dat Jezus Christus niet God is. Een eerlijk Bijbelonderzoek omtrent dit punt zal echter anders uitwijzen. Ik nodig een ieder uit om dat te doen. Er is genoeg materiaal over beschikbaar. Nu wil ik mij beperken tot de woorden die de Apostel Petrus, die ook door Christus persoonlijk werd aangesteld, in zijn tweede brief zegt (2 Petrus 1:1): (Vergelijk deze tekst eens met de NWT en let op hoe geprobeerd wordt deze waarheid weg te moffelen.)

Simeon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan degenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid van onzen God en Zaligmaker, Jezus Christus; Petrus erkende net zoals de apostelen dat “onzen God en Zaligmaker, Jezus Christus” is. U ook? Ik wel en ik dank de Heere dat ik de volgende woorden (ook van Petrus) uit Handelingen 4:8 en 12 heb mogen verstaan.

8. Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen: ………………

9 ……….. dat door den Naam van Jezus Christus, den Nazarener, Dien gij gekruist hebt, Welken God van de doden heeft opgewekt, door Hem, [zeg] [ik], staat deze hier voor u gezond.

12 En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.

Het volk voor Gods Naam dat God in deze tijd verzamelt, zijn dus degenen die de Naam Here Jezus Christus aanroepen. Dat volk voor zijn naam is Christus’ Gemeente, Zijn Heerlijkheid en Zijn Lichaam. Het zijn degenen die één zijn gemaakt met de Eerste van de Nieuwe Schepping. Na die periode volgen Israël en de volken. (Kolossenzen 3:11 …. maar Christus is alles en in allen.)

Na deze “bedeling van de verborgenheid” verzamelt God zich weer een volk voor Zijn Naam. Hij richt zich dan weer op Israël die Hem als vrouw ontrouw was en die Zijn Zoon (Erfgenaam) verwierp. In opperste benauwdheid zullen zij Jehovah aanroepen als hun God. Zacharia profeteerde lang geleden al wat er dan zou gebeuren.

Hij schreef de volgende woorden op die Jehovah uitsprak in Zacharia 12:10:

Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als [met] de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.

Ook voor Israël zal dan blijken dat de Naam Jehovah geworden is tot de Naam de Here Jezus Christus.

Vlichthus, Oss, 1998 Een volk voor Gods Naam

Een volk voor Gods Naam

Een volk voor Gods Naam

Eén reactie

  1. Frits van Pelt 11/11/2017

Voeg uw reactie toe

Translate »