God liefhebben bij Jehovah’s Getuigen

God liefhebben bij Jehovah’s Getuigen. Pas op de organisatie van Jehovah’s Getuigen! Het wachttorengenootschap (WTG) maakt “geveinsden” van de leden die zich onder hun wetten en regels stellen.

Dat is niet best, want wat God van “veinzen” (het anders voorstellen dan het in werkelijkheid is) vindt, staat in de Bijbel. Daarover laat Hij ons niet in het ongewisse. Bij monde van Paulus staat er bijvoorbeeld:

“De liefde zij ongeveinsd” … en “in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde.”

Schriftgeleerden zijn geveinsden

Het is de Here Jezus Zelf die de wettische Schriftgeleerden, annex Farizeeën, keihard veroordeelde inzake hun geveinsdheid. Die was al door de profeet Jesaja aangekondigd en bleef voor Hem niet verborgen. In Matthéüs 15 zegt Hij bijvoorbeeld:

En gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting.
Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:
Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij;
Doch tevergeefs eren zij Mij,
lerende leringen, die geboden van mensen zijn.

Organisatie Jehovah’s Getuigen maakt krachteloos wat God geeft

Ik persoonlijk heb geen enkele moeite vast te stellen dat deze woorden in deze tijd op de organisatie van Jehovah’s Getuigen toegepast kunnen worden, hoewel ze uiteraard niet over deze organisatie gaan, want de Ware God heeft niks te maken met dit aards collectief.

  • Het WTG maakt wat God hen aangeboden heeft, leven uit Zijn Genade, krachteloos door hun eigen “inzettingen”, door hun eigen regels, wetten, vormen, rituelen, leringen.
  • Zij veinzen door naar buiten toe te doen alsof men God zoekt, Hem dient. Door Hem met mooie woorden te eren, maar dan wel op hun eigen wijze. Niet zoals God dat wil. In hun hart woont de Christus niet en daarom is hun hart ver van God.
  • Dus het is alles tevergeefs, omdat het eren van God geen waarde heeft vanwege de van Gods Woord afwijkende leringen van mensen.

God liefhebben is het eerste gebod

De reeks van “lerende leringen, die geboden van mensen zijn” vanuit het wachttorengenootschap is erg groot. Onvoorstelbaar zelfs dat er zoveel onwaarheid wordt geleerd. Men wil doen geloven dat wat men leert uit de Bijbel komt, dus van God afkomstig is, en daarbij schroomt het wachttorengenootschap in het geheel niet om dat Woord van God op tal van plaatsen aan te passen aan de eigen leringen. Er zijn heel veel aanpassingen in de Nieuwe Wereldvertaling te vinden. Bijvoorbeeld inzake “het eerste en het tweede gebod”, zoals dat in Matthéüs 22 besproken wordt. In dit artikel op hun website wordt daarover gezegd:

De Bijbel vat de verplichting van de mens als volgt samen: „’Gij moet Jehovah, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.’ Dit is het grootste en eerste gebod. Het tweede, hieraan gelijk, is dit: ’Gij moet uw naaste liefhebben als uzelf.’ Aan deze twee geboden hangt de gehele Wet” (Mattheüs 22:37-40).

De eerste zin bevat al direct onwaarheid, ter voorbereiding op de aanpassing in de tekst die volgt. “De Bijbel vat de verplichting van de mens als volgt samen”, is uiteraard onzin. Dat doet de Bijbel namelijk helemaal niet. Dit is puur een verzinsel van het WTG. De bazen daarvan maken er dan ook direct “Gij moet…” van. Ze maken een eigen activiteit van iets dat wel of niet voortspruit uit iemand. Je móet Jehovah liefhebben. Gaat het niet vanzelf, dan móet je het toch doen, is steeds de boodschap. Daar moet een Jehovah Getuige (JG) zijn of haar best voor doen. Er is geen ontkomen aan. Als je dit niet doet of niet kunt, heb je dus iets niet goed gedaan. Dan ligt de fout bij jou. In zo’n setting zal elke Jehovah Getuige snel bevestigen dat hij Jehovah liefheeft, ondanks dat het leven als JG misschien zwaar aanvoelt of dat hij denkt dat hij faalt op dit gebied.

Is het wachttorengenootschap zo blind?

Is er nou niemand van de leiding van het wachttorengenootschap, het besturend lichaam, die inziet waar het in dit Schriftgedeelte over gaat en waar het naar verwijst? Is het zelfverklaarde “exclusieve kanaal Gods”, de “getrouwe en beleidvolle slaaf” werkelijk zo blind dat het hun ontgaat dat hun vertaling met “Gij moet”, van waar staat: “Gij zult”, de essentie van de boodschap mist? Waarna men onterecht iets oplegt aan de leden, dat helemaal zo niet uitgevoerd kán worden.

De Here Jezus verwijst naar Deuteronomium 6, waar staat:

Hoor dan, Israël! en neem waar, dat gij ze doet, opdat het u welga, en opdat gij zeer vermenigvuldigdet (gelijk als u de HEERE, uwer vaderen God, gesproken heeft) in het land, dat van melk en honig is vloeiende.
Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!
Zo zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen
En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn.

Lees eens rustig en zonder religieuze bril wat hier staat. Dan ziet u dat Jehovah, de God van Israël, waarmee men een huwelijk, een liefdesband, aan was gegaan, het volk, Zijn vrouw, heel wat te bieden heeft. Hij heeft hen toen het nodige “aangeboden”. Tot voorspoed van de vrouw. “Opdat het u welga, en opdat gij zeer vermenigvuldigt”, staat er. Waarom ontgaat zovelen toch de goedheid die de HEERE (Jehovah) hier neerlegt in een “gebod”. In wat Hij aanbiedt dus. Het gaat hier toch niet over een wet waarvoor de mens angstig is om die te overtreden?

Neem het aan, zodat het jullie goed gaat

God zegt in feite: “Israël, neem aan wat ik te geven heb, zodat het jullie goed gaat.” Hij geeft aan met dat er maar één God is, onder de Naam Jehovah. Dus ze hoeven helemaal nergens anders naar toe. Hoger en beter is er niet! Zij hebben de Hoogste Man al getrouwd. God Zelf! Als de vrouw, het volk Israël, dat aanneemt en trouw is in dat verbond, in die samenleving, dan volgt een simpele conclusie:

Zo zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen

Dus: neem aan wat aangeboden wordt, “doe” dat, leef zo, dan kan het niet anders (“Zo zult…”) dan dat je God liefhebt met heel je hart (gemoed), je ziel (heel je praktische leven), kortom met alles wat je hebt, inclusief je denken. Als volk, maar ook als individu. Het logische vervolg is dan ook deze conclusie:

En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn.

God biedt Zijn Woord(en) aan. Hij geeft ze aan Israël. Als dat volk ze “hoort”, er “gehoorzaam” aan is, dan zúllen (dat is een wetmatigheid; het kan niet anders…) Gods Woord(en) in hun hart zijn.

Niet meteen denken aan moeten en laten

Dit principe is uiteraard nooit aan de kant gezet door de Ware God. Ondanks dat de vrouw Israël meestentijds nou niet bepaald het aangebodene vanuit het hart aannam, zo vertelt de geschiedenis. De Here Jezus komt er dan ook op terug. Hij wist heel goed, zo blijkt uit wat Hij deed en sprak, dat wat God als Vader, gegeven had, wat Jehovah als Man aangeboden had, geen móeten was. God liefhebben, zoals Hij dat wil, kon alleen voortkomen uit het hart en niet uit het barstensvol met wetten, regels en rituelen bestaande Judaïsme. Die eigengemaakte godsdienst is overigens pas ontstaan in de ballingschap, toen het Jodendom bedacht dat men Jehovah moest gaan dienen op hun eigen wijze. Maar dat was totaal niet welgevallig in Zijn ogen en dus ging het hen “niet zeer wel”.

Probeer de gedachte van een streng kijkende God, die met opgeheven vinger allerlei “moeten en laten” dicteert, eens achter u te laten. Niet meteen aan moeten en laten denken. Dat is best lastig, want zo zijn de “tien geboden”, en de uitwerkingen in de wet, wel altijd gepresenteerd. Dit is helaas dé prediking in zowat alle religies, incluis die van de Jehovah’s Getuigen. Probeer het te zien als dat God zoveel moois aan te bieden heeft, waardoor als vanzelf de liefde, trouw en het dienen voortvloeit die hoort bij een relatie. Dat kan toch nooit afgedwongen worden via wetten en regels.

Israël hoorde niet

God illustreert dit principe ondermeer in Zijn relatie met de vrouw Israël. Waar dat volk Zijn geboden beschouwde als wet in de zin van moeten en laten, ging het faliekant mis. Israël “hoorde” dan niet en dus zat Zijn Woord niet in haar (hun) hart. Dat was ook het probleem dat Jezus herhaaldelijk aan de kaak stelde tegenover de Farizeeën (de schriftgeleerden) in Zijn dagen. Waarbij Hij overigens ook wees op wat er nodig was om wel tot volledig God liefhebben te komen vanuit het hart. In de uit Adam geboren mens, was dit onmogelijk gebleken. Dat pad moest verlaten worden, maar helaas, de Farizeeën hielden er strak aan vast. Ze wilde deze Woorden niet horen. Ze gaven de voorkeur aan hun eigen “wijsheid”. Dat doet de leiding van de Jehovah’s Getuigen niet anders. Men wijst de Weg Gods daarmee af.

Wat was Gods Weg dan wel? In Johannes 3 staat het verslag dat de Here Jezus aan de wetsgeleerde Nicodémus uitlegde dat hij, uit geestelijk water, wedergeboren moest worden tot Nieuwe Schepping. Opnieuw geboren worden tot kind van God. Dat was wat God op dat moment – en nu ook – aanbood. Dat was Zijn Woord, “… opdat het u welga”. Nicodémus nam het aan. Velen aan wie het als eerste gepredikt werd helaas niet. Daarna gelukkig velen wel. En u? Neemt u dit aan? Zodat het volgende als vanzelf uit u voorspruit, als een niet te stoppen fontein:

… Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.

Het tweede gebod is gelijk aan het eerste

En dan voegt de Here Jezus nog wat toe aan dat “grote gebod”:

Dit is het eerste en het grote gebod.
En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.
Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.

Het tweede “gebod”, dat God hier aanbiedt, is gelijk aan het eerste. Dat betekent heel eenvoudig dat wat als tweede genoemd is niet van minder belang is dan wat als eerste genoemd is. Het tweede is niet “lager” dan het eerste of daaraan achtergesteld. Als in het eerste gebod staat “God liefhebben”, dan betekent “is gelijk aan” dat “uw Naaste” in het tweede gebod op hetzelfde hoogste niveau staat. Uiteindelijk zijn deze twee één. Er is geen verschil tussen. En precies dat legt de Here Jezus uit in Lukas 10, in het het verhaal van de barmhartige Samaritaan. (Lukas 10) Daar is de Here Jezus Christus ónze Naaste. (Zie bijbelstudie “Wie is mijn Naaste?”) En als we met Hem verbonden (wedergeboren als Nieuwe Schepping) zijn is het volledig mogelijk om Hem (dé Naaste) lief te hebben als onszelf. We zijn immers dan met Hem Eén geworden. Eén Lichaam. Wij zijn dan met elkaar “uzelf” geworden, omdat Christus in ons (hart) woont (leeft) en wij ín Christus zijn. Dan staat Christus op hetzelfde hoogste niveau als God. Dan is de Here Jezus Christus God Zelf.

In dat geval is “uw Naaste” (het staat er zonder “n”) liefhebben niet moeilijk. Dat gaat vanzelf. En dat is zeker niet te zeggen van het moeten liefhebben van “alle naasten”, of de “verre naasten”, of eigenlijk van ieder mens, want zo wordt het vaak uitgelegd.

Liefhebben van binnenuit

Liefhebben (dienen; gemeenschap hebben met) met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand”, uit het eerste gebod correspondeert dus op volledig gelijk niveau met “Liefhebben van de Naaste als uzelf”. Dat gaat ook over wat in de mens zit; het binnenste. Liefhebben komt van binnenuit. Het is er of is er niet. Het kan opkomen en verdwijnen. Als het komt, komt het vanuit het hart. Je kunt dit niet dwingen. Hooguit zorgen voor omstandigheden en kennis waardoor die liefde vanuit het hart kán komen.

Ik denk dat wie hier eens rustig over nadenkt, dit kan beamen. Dan helpt het wellicht om dat te bekijken vanuit hoe het bij ons mensen werkt. Voor degene die wij liefhebben – en dat is uiteraard niet iedereen – voelen we zoveel dat we met zo iemand willen samenzijn. Dat we zo iemand willen dienen. De toepassing van dit principe in het samenzijn met een partner kennen we uiteraard, maar het heeft ook betrekking op vrienden. Hen kunnen we ook liefhebben, hoewel dat op een ander “level” is. Het principe blijft echter hetzelfde. Ook dat komt van binnenuit; uit het hart.

Het is door Hem (aan)geboden

Als er nu iemand komt die zegt dat je je eigen partner, móet liefhebben, omdat dit zo hoort, dan kijken we hier vreemd van op. “Ik moet niks,” is dan het logische antwoord. Terecht. Of je houdt vanuit je hart van je vrouw, man of kinderen, of je doet dat niet. Maar móeten is er niet bij. Dit geldt uiteraard ook voor onze verhouding met de Levende (= actieve) God. We móeten niks. We mogen het; het is ons door Hem (aan)geboden. Hij heeft het Zelf mogelijk gemaakt dat mensen, geboren in Adam, Hem kunnen dienen op grond van hun wedergeboorte in Christus. Niet als vleselijke schepselen, maar verwekt uit de Geest, tot kinderen Gods. Leven van een andere orde dus.

Geweldig toch! Wat een Genade Gods! Wie daar rustig over nadenkt en uit leeft, kan niet anders dan Hem liefhebben met geheel zijn hart, ziel (= praktische leven) en verstand. Dat “gevoelen” ontwikkelt zich dan als een wetmatigheid in ons. Dat gevoelen zet aan tot dienen. Net zoals bij God Zelf, die het zondeprobleem, dat Hij had met deze wereld, aanpakte door Zichzelf te vernederen tot volkomen mens, zonder God te zijn dus, toen Hij op aarde was. Hij onderging zelfs de vloek en vernedering aan het kruishout. Tot in de dood. De diepst mogelijke vernedering. De Apostel Paulus beschrijft dat in Filippenzen 2. Lees dit wel in de Statenvertaling, want in de Nieuwe Wereldvertaling staat iets heel anders.

Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was;
Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn;
Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;
En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.

Johannes 3  : 16

Johannes zegt in een van de meest bekende verzen in het Nieuwe Testament, in Johannes 3 : 16:

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

God móest dit niet doen. Als de Pottenbakker was Hij volkomen gerechtigd om het “baksel” weg te doen. Het was vanuit Zijn Liefde dat hij met een blijvende oplossing kwam. En zo staat er in 2 Korinthe 5 : 19:

Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, …

In – of als – Christus, de opgestane Here Jezus, bracht God de wereld met zichzelf in vrede. Uit liefde. Van binnenuit. Datzelfde “gevoelen”, wat in het hart zit, en wat “activiteit” voortbrengt, zou ook in ons zijn. Niet dat we hetzelfde moeten doen wat de Here Jezus Christus deed en doet, dat is Zijn werk. Dat “gevoelen” in Filippenzen 2 slaat op de verzen ervoor. Het is de afsluiting van wat in de eerste 4 verzen gezegd wordt:

Indien er dan enige vertroosting is in Christus, indien er enige troost is der liefde, indien er enige gemeenschap is des Geestes, indien er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn;
Zo vervult mijn blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde.
Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven.
Een ieder zie niet op het zijne, maar een ieder zie ook op hetgeen der anderen is.
Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was;

En ook dit wordt weer niet als opgelegde wet gepresenteerd, maar als “gevoelen”, uit het hart, het “gemoed”. Uit de “innerlijke bewegingen en ontfermingen”. Voortkomend uit de “gemeenschap des Geestes”. Wie hetzelfde gevoelen in zich heeft als Christus Jezus, zal “zien op hetgeen der anderen is”. Dat is een wetmatigheid.

Geveinsdheid waar God een hekel aan heeft

De liefde voor God, voor dé Naaste, is dus niet van buitenaf op te leggen. Doe je dit wel of laat je dit jou opleggen, dan krijgt je de geveinsdheid waar God juist zo’n hekel aan heeft. Het is Zijn bedoeling dat een gelovige Hem vanuit het inwendige liefheeft, vanuit een “zacht gemoed”. Dus niet als gebod, in de zin van dit móet je zo doen. Dat is gewoon niet mogelijk. Al helemaal niet in de oude mens. Daarvan zegt Paulus, vanuit Gods standpunt bezien:

Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; ….
Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.

Voor “goed”, “verstandig” en “God zoeken” is de Nieuwe Mens vereist. Wedergeboren tot Nieuwe Schepping in Christus. Zodat Christus in dit Nieuwe Schepsel woont/leeft. Alleen vanuit die positie is het voor de gelovige mogelijk om God lief te hebben en te dienen met alles wat hij of zij ter beschikking heeft. Liefhebben met heel “uzelf”. Met alles wat je hebt en bent.

Wedergeboren tot Nieuw Schepsel in Christus

Juist omdat de Jehovah’s Getuigen ontkennen dat een “gewone gelovige” wedergeboren tot Nieuw Schepsel in Christus moet zijn, komt men niet tot het liefhebben en dienen van uit “een rein hart”. Een dergelijk hart zit alleen in het wedergeboren kind van God. Paulus schrijft aan Timótheüs:

Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof.

Het doel (einde) van dit wat gegeven is, wat door God aangeboden is, is liefde uit een rein hart, dat is goed (ge)weten en ongeveinsd (geen namaak) geloof.

Liefde is een vrucht van de Geest

Liefde is een vrucht en het kenmerk van vruchten is dat ze voortkomen uit de verbintenis met de “plant”. (Romeinen 6 : 5) Liefde is een vrucht ván de Geest (Galaten 5 : 22) en wordt dus voortgebracht dóór die Geest, maar ook dóór de gelovige, in de zin van dóór hem heen. In ieder geval breng je een vrucht niet zelf voort door te werken. Een vrucht groeit. Maar alleen als er connectie is. Als er geen verbintenis is, geen voedsel vanuit de wortels door de stam heen, dan komt er geen vrucht.

Ook dat is een wetmatigheid. Net zoals het een wetmatigheid is dat uit de 2 gaatjes in, wat wij een stopcontact noemen, stroom komt. Dat zie je niet, maar daar kun je wel op vertrouwen. De wetmatigheid is ook dat het alleen mogelijk is lief te hebben vanuit je binnenste. Anders kan gewoon niet! Dan wil je ook iemand vanuit jezelf dienen. Iets doen of betekenen voor degene die je liefhebt. Dat werkt niet als je zegt dat je iemand móet liefhebben en móet dienen. Als het niet werkt op menselijk niveau, waarom zou het dan wel werken op het niveau van God? Dat is namelijk wat het WTG leert. Dat vindt dat je God móet liefhebben, ook als dit niet uit je hart komt. Wie dat wel zo zegt, veinst dat hij liefheeft of dient. Het is er wel, maar niet “van harte”. Het WTG creëert zulke geveinsden door hun prediking dat je dingen móet doen voor God.

Geconditioneerd gedrag

Ze zeggen bijvoorbeeld dat je blij moet zijn in de velddienst, in het van huis-tot-huis gaan. Andere JG laten ze zeggen hoe blij zij met dit van deur tot deur werk zijn. Dat gebeurt heel vaak. Elke JG is inmiddels doodgegooid met al die voorbeelden van blije pioniers. Zonder overigens te weten of de vertellers dit diep in hun binnenste ook zo vinden. Dit “geconditioneerd gedrag” wordt dan weer gebruikt om anderen geconditioneerd gedrag te laten vertonen. Met een big smile wordt er gezegd dat men Jehovah liefheeft en dat men zo blij is dat men Hem dient, conform wat het WTG hen allemaal opgelegd heeft. Maar “achter de glimlach van Jehovah’s Getuigen” ziet het er wellicht heel anders uit. Voor de buitenwacht niet zichtbaar, maar voor God wel.

Farizeeën met uiterlijk vertoon

Dat legt de Here Jezus ook uit aan de Farizeeën. Die dachten met hun uiterlijk vertoon de wet te houden en dus rechtvaardig voor God te zijn. Maar de Heer maakte daar korte metten mee, leert het verslag in Matthéüs 5.

Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.

Voor het oog van mensen waren de Schriftgeleerden (= Farizeeën) “recht”, maar om het toen bijna aanbrekende Koninkrijk der hemelen in te kunnen gaan, moest er duidelijk meer gebeuren. Maar als dat aan de buitenkant niet kan, zoals “tenzij uw gerechtigheid overvloediger is dan die van de Schrfitgeleerden” zegt, dan kan het alleen maar om de binnenkant gaan. Om wat in het hart leeft. In diverse voorbeelden houdt de Here Jezus dat ook voor aan Zijn toehoorders. Lees het maar na in Matthéüs 5. Eén voorbeeld:

Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen.
Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.

Die begeerte komt uit het hart voort. Niet te zien voor “het publiek”, maar voor “Degene die de harten doorzoekt” (Romeinen 8 : 27) is die begeerte in het hart een overtreding van de wet. Jakobus (2 : 10) legt later nog eens uit hoe het zit met slechts één overtreding van de wet:

Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.

De oude mens, geboren in het “vlees”, als nakomeling van Adam, struikelt altijd in het hart. Hij kan niet anders en dat weet ook iedereen wel. En daarom is het de Genade Gods dat een mens in Gods ogen alreeds verlost is van dat vlees. In de dood van de Here Jezus is die hele oude schepping gestorven. Iedereen dus. In Christus is er Nieuw Leven, onvergankelijk en zonder zonde (= doel missen) voor in de plaats gekomen. Voor iedereen beschikbaar, maar alleen gegeven aan wie tot persoonlijk geloof komt in de Here Jezus Christus (de Messias).

God liefhebben als blijmoedige gever

Het wachttorengenootschap gaat geheel voorbij aan de vrije wil van de gelovige. Ze omzeilen dit door zo’n beetje alles dwingend op te leggen aan het collectief en het individu. Dwingend door te zeggen dat het van Jehovah zo moet en dat Hij het zo wil als het WTG leert. Door de tucht en sancties, die talrijk zijn binnen de organisatie van Jehovah’s Getuigen. Dwingend door het móeten zelfs in hun “bijbel” te plaatsen, daar waar het helemaal niet hoort. Gods Woord aanpassen aan de eigen dwangneurose, is voor het wachttorengenootschap kennelijk geen brug te ver.

Maar als iets moeten is, is het wet en geen vrije wil meer. Dan komt wat gedaan wordt niet voort uit een “blijmoedige gever”. Daarover zegt de Apostel Paulus in 2 Korinthe 9 : 7:

Een ieder doe, gelijk hij in zijn hart, voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.

Paulus koppelt blijmoedig geven aan het hart van het individu. Hij spreekt tot gelovigen, dus tot wedergeboren kinderen Gods. Nieuwe Schepping dus. Uit hun “rein hart” zou dat blijmoedige geven voortkomen, als wetmatigheid. Zoiets gebeurt gewoon. Niet als het voortkomt uit werken of “overleggingen”, zoals “droefheid” of “nooddwang”, in de oude mens. Evenmin uit wat een ander je oplegt. Dus ook niet uit de regels, wetten, gewoonten en wat nog meer zij vanuit het wachttorengenootschap.

De apostel Petrus

Tot slot de conclusie van de Apostel Petrus (1 : 21-23) omtrent ons praktische leven (“uw zielen”). Hij zegt daar dat wij door Christus in God geloven. Dat wij, “wedergeboren uit onvergankelijk zaad”, daardoor ons praktische leven gereinigd hébben. Dat is dus gedaan, door de Geest, welke is Christus. We hebben het niet eens zelf hoeven doen. Kunnen dat ook niet, trouwens. Waartoe? “Tot ongeveinsde broederlijke liefde uit een rein hart”.

Die door Hem gelooft in God, Welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou.
Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid der waarheid, door den Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkander vuriglijk lief uit een rein hart;
Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.

Laat het wachttorengenootschap geen geveinsde van u maken

Dus nogmaals: Pas op de organisatie van Jehovah’s Getuigen! Laat het wachttorengenootschap geen “geveinsde” van u maken. Word geen lid van die organisatie. Of kom onder dat zware juk vandaan. Dat is niet te dragen. Kom tot persoonlijk geloof in de Here Jezus Christus om alleen Hem vanuit een rein en blijmoedig hart:

lief te hebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen!


God liefhebben bij Jehovah’s Getuigen

God liefhebben bij Jehovah’s Getuigen

Een reactie

  1. Frits van Pelt 07/11/2019

Geef een reactie

Translate »