Ex Jehovah Getuige Ingrid Keessen

Ingrid Keessen was Jehovah Getuige

Ex Jehovah Getuige Ingrid Keessen: ‘Ik dacht: Als ik dit goed doe en dat allemaal laat, dan kom ik in het paradijs. Dat is altijd mijn grote einddoel geweest. Na in de afgelopen twee jaar intensieve therapie te hebben gevolgd, kan ik nu volmondig beamen dat ik gehersenspoeld ben door Jehovah’s Getuigen. En dat ik als kind trauma’s heb opgelopen, omdat ik veel te jong veel te volwassen vergaderingen moest bijwonen, die ik allemaal letterlijk en serieus nam.’

Dit lange artikel is ook beschikbaar als PDF

____________________________________________________________________________

Alle dingen werken mede ten goede

Dit is Ex Jehovah Getuige Ingrid Keessen. Ze lacht op de foto en zegt: ‘Tegenwoordig kan ik lekker op de bank zitten en zeggen dat ik er mag zijn, dat ik er toe doe en dat ik niets meer moet. Dan voel ik mij gelukkig. Zeker als mijn lieve vriendin Inka bij mij is.’ Dat “tegenwoordig” is nog maar kort zo. Het grootste deel van de 45 jaar die zij telt, was het leven vaak zwaar en zeer verwarrend. Zelfs zo erg dat ze er letterlijk doodmoe van werd. Serieuze zelfmoordpogingen werden ondernomen om aan het gevoel van intens lijden te kunnen ontkomen. Gelukkig slaagde ze daar niet in. Zij kreeg professionele hulp en kwam tot persoonlijk geloof in de Here Jezus Christus. Ingrid kan nu pas haar verhaal vertellen. ‘Al kan ik maar één persoon helpen met mijn ervaringen,’ hoopt ze.

De beloning: het paradijs

Ingrid wás Jehovah Getuige en dus lid van de organisatie van Jehovah’s Getuigen (JG). Haar ouders traden toe tot de organisatie toen Ingrid net 1 jaar oud was. Dat was in 1974, vlak vóór het voor de Jehovah’s Getuigen belangrijke jaar 1975, waar zowat iedere JG Armageddon en daarna het aanbreken van het paradijs verwachtte. Ingrid groeide dus volledig en ook fanatiek op met wat haar ouders allemaal geleerd werd door het wachttorengenootschap (WTG). Kinderen móeten mee naar alle vergaderingen, ongeacht de onderwerpen die er worden besproken. Onderwerpen voor volwassenen worden daar tegelijkertijd opgevangen door kinderen. In het geval van Ingrid leidde dat al vroeg tot angst voor Armageddon, angst voor uitsluiting, als je niet deed wat JG je vertelde en angst voor God. Daarnaast moest zij mee in de velddienst om de boodschap van het WTG bekend te maken aan de deur. En er waren nog meer geboden, verboden, regels en wetten, ook voor kinderen. Op 13-jarige leeftijd liet Ingrid zich dopen. Ze was er helemaal klaar, vond ze zelf… Ze wilde namelijk heel erg graag in het op talrijke plaatjes beloofde paradijs gaan wonen, om daar eeuwig te leven. Maar dan moet je wel gedoopt lid zijn van de organisatie van Jehovah’s Getuigen én actief zijn. En ook nog eens netjes alles aanvaarden en doen en laten wat er gezegd wordt. Niet ongehoorzaam zijn aan je ouders en goed luisteren naar de organisatie, die door God gebruikt wordt, althans volgens de Jehovah’s Getuigen zelf. En dus dacht Ingrid dit als kind. Ze wist niet beter. Het was er zo vast ingehamerd, dat ze alles wat ze deed, en niet deed, baseerde op het verkrijgen van de beloning – het paradijs – en het voorkomen van straf en onheil. Alles voor Jehovah, dacht Ingrid, maar het was slechts voor mensen, weet zij nu. God vroeg en vraagt niet van haar wat de organisatie wel vroeg en vraagt.

Een modelgezin

Het gezin Keessen bestond in de kinderjaren van Ingrid uit vader, moeder en 4 kinderen. Ingrid is nummer twee. Haar broer is de oudste en twee jongere zusjes completeren het gezin. ‘We stonden binnen de organisatie bekend als modelgezin,’ vertelt Ingrid. ‘Mijn ouders waren fanatiek, vooral mijn moeder, die ik helaas kil en wetmatig moet noemen. Het was vooral gericht op wat de buitenwacht van ons zou vinden. Mijn vader had een vlotte babbel en kon goed lezingen houden. Op congressen en kringvergaderingen hadden wij vaak een aandeel als gezin. Dan waren we op het grote podium en een voorbeeld voor anderen. Naar buiten zag het er allemaal prachtig uit. In werkelijkheid voelde ik dat niet zo. De “warmte” van een liefhebbend gezin is niet wat ik mij kan herinneren. Het ging vooral om structuren, duidelijkheid, regels, doen en laten. Als kind vond ik dat overigens ergens ook wel prettig. Ik dacht: Als ik dit goed doe en dat allemaal laat, dan kom ik in het paradijs. Dat is altijd mijn grote einddoel geweest. Ik moest en zou in dat paradijs komen.’

In paniek na een lezing

Elk mens is anders, elk kind ook. Het probleem van Ingrid was dat zij wat zij allemaal hoorde van haar ouders en vernam vanuit de organisatie, ook zeer serieus nam. Als kind kon ze al die informatie niet “filteren”. Ze kon eigenlijk niets naast zich neerleggen om het vervolgens te vergeten of af te zwakken. Het was altijd zwart of wit. Grijstinten waren er gewoon niet. Alles was voor haar realiteit. Van de voorgestelde vreugde in het paradijs met de dieren en gelukkige mensen tot aan de intensiteit van het vernietigen van mensen in Armageddon. Veel Jehovah’s Getuigen denken niet over alles zwaar en lang na en nemen niet alles 100% serieus. Ingrid deed dat wel en daarmee deed zij precies wat de organisatie van haar verlangde. Zij geeft een voorbeeld: ‘Er was eens een lezing over het onderwerp demonen. Daarbij werd gezegd dat volgens de Bijbel je moet voorkomen dat je aan niets denkt, zoals bijvoorbeeld bij yoga geleerd wordt. Want dan heb je kans dat demonen in je komen. Nou, daarvan raakte ik wel in paniek, want zoiets wilde ik niet, dan zou ik natuurlijk niet in het paradijs komen. De paniek was er vooral omdat ik niet wist hoe ik moest voorkomen dat ik aan niks zou denken. Ik “dacht” ook weleens aan niks. Ik kon dat verhaal als kind dus niet op de juiste waarde schatten. Ik nam het veel te letterlijk. Net als de uitspraak in de Bijbel: “Bergen valt op ons”. Dat zag ik letterlijk zo voor mij. En ook dat wij als Jehovah’s Getuigen daar min of meer lachend naar zouden staan te kijken. Ik geloofde als kind – en dus ook later als volwassene – dat het letterlijk zo zou gaan. Logisch dat je daar angstig van wordt, want juist omdat ik het zo serieus nam, wilde ik zelf aan de goede kant staan. En daar moest ik dus veel voor doen en laten.’


De impact van wat er verteld en gezien wordt op het brein van een kind

Wat doet het met een kind dat bijna dag in dag uit via beeld en geluid wordt geconfronteerd met een boodschap die volwassenen niet eens aan kunnen? Ingrid herinnert zich dit nog uit haar kindertijd:

Er is een engel bij mij. Ik weet niet hoe hij heet, dat heeft hij me nooit verteld, maar omdat hij altijd bij mij is weet ik dat God mij speciaal vindt. Ik doe het goed en God houdt van mij. De engel zegt nooit veel, maar ik weet wel wat hij wil. Dan kijkt hij lief of boos naar mij en dan weet ik al genoeg. Tenminste, zo was het tot kort geleden. Pasgeleden veranderde het ineens. Ik denk dat ik iets fout heb gedaan, iets waardoor God erg boos op mij is geworden. De engel begon te praten en eerst dacht ik dat het nog beter zou worden dan het al was, maar hij werd boos. Hij zei echt gemene dingen tegen mij. Ik ben toen erg bang van hem geworden. Maar daarna ging hij weg, gelukkig. Nu komt hij steeds vaker dingen tegen mij zeggen, die helemaal niet lief zijn. En steeds vaker hoor ik hem nu ook praten als hij er helemaal niet is. Ik ben nu echt bang voor hem. Dan zegt hij dat ik stout ben of dat God niet van mij houdt, omdat ik niet goed mijn best doe om HEM te dienen. Hij zei zelfs een keer dat ik niet in het paradijs zou komen. Wat heb ik fout gedaan? Ik weet het niet, maar ik ben ook nog maar klein. Ik weet nog niet alles, wat ik moet doen of niet mag doen. Waarom is hij ineens zo streng? Ik ben bang.

Misschien heb ik slechte gedachten gehad? Want God weet zelfs wat je denkt… en als HIJ het weet, dan weet de engel dat ook. Brrr, dat vind ik wel een beetje eng. Ik denk wel eens stoute dingen… Dat ik boos ben op papa en mama, of dat ik geen zin heb om naar de vergadering of in de velddienst te gaan (zo heet het als je bij mensen aan de deur aanbelt om te vragen of ze meer over God te weten willen komen, zodat zij ook in het paradijs kunnen komen). Of als ik zelfs ruzie maak met mijn zusje. Of dat ik geen jurk aan wil naar de vergadering, dat is ook slecht, want dat moet. En als God al die stoute gedachten optelt, kom ik denk ik niet in het paradijs. Ik denk dat ik ook wel veel meer stoute gedachten heb dan anderen. Ik vind het soms moeilijk om op school niet te mogen aannemen als een kindje trakteert voor z’n verjaardag. Ik doe het nooit, maar ik vind het soms wel erg moeilijk, zeker als het snoep zo lekker is. Juist vandaag nog, het was zo warm en dan delen ze een heerlijk ijsje uit. Maar ik was sterk en heb niet genomen, daarom redde God mij zojuist misschien wel van de straf… O, ja, hij redde mij, ik zit nu op de vergadering en moet nu extra goed mijn best doen om te gaan opletten, Want als het de waarheid is wat mijn ouders vertellen, dat God je redt, moet de straf ook waar zijn, en ik wil zoooo graag in het paradijs komen. O, de broeder zegt GOD. Meteen weer een streepje zetten. En stil zijn en stil zitten. Dan ben ik een braaf meisje en kom ik ook in het paradijs. Het is zo moeilijk om te doen wat God van me wil…


Angst voor de grote verdrukking en Armageddon

De angst voor de grote verdrukking, gevolgd door de vernietiging van zowat iedereen, behalve de Jehovah’s Getuigen die getrouw en standvastig zouden zijn, leverde Ingrid veel angst op. Net zoals zoveel JG zou ze Armageddon liever niet meemaken. Maar ja, je moet erdoor als je het paradijs in wilt. Ingrid: ‘En dan was er nog de angst dat ik uiteindelijk toch niet in het paradijs zou komen, omdat ik – staande voor Gods troon – door Hem toch niet goed gevonden zou worden. Dan had ik alles toch nog voor niks gedaan. En van die gedachten werd ik dan weer bang.’

Ingrid werd al op jonge leeftijd meer dan goed voor een kind is blootgesteld aan de indoctrinatie op basis van beloning en straf. Het werd er zo vast ingestampt dat het haar leven bepaald heeft tot aan het moment van de ommekeer. Het vooruitzicht op een paradijs, in combinatie met het voldoen aan de zware eisen van de organisatie van Jehovah’s Getuigen, gaf haar aan de andere kant regelmatig een geluksgevoel. ‘Hoe meer ik deed, hoe beter ik mij aan de regels hield, hoe gelukkiger ik mij voelde. Maar het verdween ook steeds weer en dan kwam de angst om iets fout te doen of dat ik het paradijs toch niet zou bereiken weer boven,’ vult Ingrid aan.

Een dubbele buitenstaander

Het is geen wonder dat Ingrid zich al vanaf haar vroege jeugd ontwikkelde tot een buitenbeentje. Uiteraard op school, onder “wereldse vriendjes”, want ze deed niet mee aan verjaardagen, nam zelfs geen snoepje aan. Ze bleef ver van Kerstmis, Pasen, Vaderdag en Moederdag en nog veel meer wat niet goedgekeurd werd door de organisatie. Bijvoorbeeld het lidmaatschap van een sportvereniging of iets dergelijks. Haar ouders gingen daarin mee. Ook zij brachten geen nuances aan in de rigide regels van het wachttorengenootschap. Voor de buitenwereld was ze dus een vreemd en fanatiek buitenbeentje. Maar met name een kind wil dit helemaal niet zijn. Die wil ergens bij horen, onderdeel van uitmaken. Gezocht en gewaardeerd worden. Plezier met andere kinderen maken. Die wil niet als vreemd bezien en gemeden worden.

Dan zoek je het maar binnen de eigen groep…, toch? Maar daar was het al niet veel beter. Ze bleek een “dubbele buitenstaander” te zijn. Ingrid was namelijk zo fanatiek dat ze door haar geloofsgenoten regelmatig niet bepaald gewaardeerd werd. Ze legt uit hoe dat kwam: “Als ik iemand iets fout zag doen, dan ging ik dat vertellen aan de ouderlingen. Zo iemand moest dan op het matje komen en dat werd mij niet in dank afgenomen. Maar ik had geleerd dat ik dit juist wel moest doen, zodat degene die een fout maakt het paradijs niet zou mislopen. De ander aangeven deed ik dus uit liefde voor die persoon. Dat word je ook geleerd op de vergaderingen en in de lectuur. Ik was er zo van overtuigd dat dit goed voor hem of haar was. Maar het leverde geen waardering op en zo werd ik ook binnen de JG-groep een buitenbeentje en dat vond ik niet fijn. En ik maar denken dat ik dit voor God moest doen. Want als je een Jehovah’s Getuige bent, dan denk je echt dat de organisatie en God bij elkaar horen. Daar twijfelde ik nooit aan en daarom geloofde ik het allemaal en deed ik wat gedaan heb. Nu weet ik dat God en de organisatie van Jehovah’s Getuigen niet samengaan. Maar ja, als kind was me dat wel zó duidelijk gemaakt. Constant en dat neem je dan heel lang mee in je leven. Daar ben je niet zomaar van af.’

Uitsluiting binnen het gezin

Zelfs van het zware middel van uitsluiting uit de gemeenschap, dat het WTG te pas en te onpas inzet om de gelederen gesloten te houden, was Ingrid overtuigd dat dit door Jehovah aan haar gevraagd was om uit te voeren zoals het wachttorengenootschap het bevolen heeft. Dus kei- en keihard zijn, ook als het binnen het eigen gezin plaatsvindt. En dat was het geval. Ingrid: ‘Mijn broer is drie keer uitgesloten geweest. Hij is nog steeds een Jehovah Getuige. De eerste keer woonde hij thuis, ik was toen 18 jaar. Dat was in de tijd dat onze ouders onze zeer streng opvoedden. Mijn vader was ouderling en wij gingen minstens 2 x per week in de velddienst. Zaterdags, op zondag na de vergadering en op woensdagmiddag. Toen we wat ouder waren ook nog een avond in de week. In die tijd betrapte mijn vader mijn broer op gokken en dat mag niet van de organisatie. Het was ook niet goed voor zijn aanzien als ouderling in de gemeente. Mijn vader was streng in de leer en meldde de overtreding van zijn eigen zoon bij de plaatselijke ouderlingen. Daarop moest hij voor het committee komen en werd hij uitgesloten. Vanaf het podium werd dat bekendgemaakt en dat is een vernedering. Maar hij woonde nog wel thuis. Dat werd een zeer ongemakkelijke tijd, want wij mochten niet met hem praten. Dus we probeerden elkaar vooral te mijden. Echt, dat is heel vreemd, binnen hetzelfde huis. Maar ja, ik wilde hem “redden”. Ik wilde dat hij weer terug zou komen om het paradijs in te kunnen gaan, met mij en dus deed ik braaf mee. Hij is ook weer JG geworden, volgens mij omdat hij de hele situatie niet aankon. Daarna is het nog twee keer gebeurd, maar toen woonde hij niet meer thuis. Ook toen bleef ik standvastig. Na zijn laatste terugkeer in de organisatie heb ik geen contact meer met hem gehad.’

Twee zussen van Ingrid zijn eveneens uitgesloten in de periode dat Ingrid nog wel Jehovah’s Getuige was. Ook met hen werd het contact verbroken. Vele jaren hebben ze elkaar niet gezien of gesproken. Familiebanden werden en worden van het ene op het andere moment zomaar doorgeknipt. Alsof het niks voorstelt. Voor de organisatie is dat laatste kennelijk ook zo, gezien met welk gemak ze deze rigide regel oplegt aan de volgelingen. Ingrid deed het, ondanks dat het ook groot verdriet opleverde. ‘Mooie jaren van samenzijn zijn zo verloren gegaan,’ is haar conclusie achteraf. ‘Zo jammer allemaal. Gelukkig is het contact met mijn twee zussen weer hersteld, toen ik zelf uitgesloten werd. Al heeft het nog bijna een jaar geduurd voordat ik zelf contact met ze durfde op te nemen. Zo bang was ik dat ze mij niet wilden zien. Dat had ik ook nog wel begrepen, na wat ik hen aangedaan had, maar zo ging het gelukkig niet. Ze waren juist blij dat we elkaar weer gevonden hadden. Ze reageerden vol liefde, met als antwoord: “Je bent van harte welkom!” Dat was fijn; ik had hun steun hard nodig. Ik heb dit deel van mijn familie terug! Mijn broer en mijn vader en moeder niet.’

De bloedkwestie

Hoever kun je gaan in de trouw aan een organisatie, die jou laat geloven dat het in rechtstreekse dienst staat van de Ware God? Heel ver dus. Tot in de dood. De eigen dood of die van een kind, als het zo moet zijn, dan gaat een Jehovah Getuige hier niet voor aan de kant. Ingrid weet dat als geen ander. Twee keer kwam ze met de bloedkwestie in aanraking. Eén keer voor haarzelf en één keer voor één van haar drie kinderen. Twee keer was het net op het nippertje niet nodig, maar ze had toen zeker gekozen voor het weigeren van een bloedtransfusie, met mogelijk de dood tot gevolg. Van haar en van haar volledig onschuldig en onwetend kind. ‘Als ik anders had gekozen, had ik niet in het paradijs gekomen. Tenminste zo dacht ik toen, want zo was het mij geleerd en dat geloofde ik. Ik twijfelde er op dat moment ook niet aan. Achteraf ben ik zo blij dat het deze kant is opgegaan en dat er geen onherstelbare afloop is geweest. Ik weet nu ook dat God dit soort dingen helemaal niet van mij vraagt.’

Twijfel en hersenspoeling

Twijfelde Ingrid dan nooit? ‘Eerst helemaal niet, maar langzaam begon dat te komen. Ik weet nog dat ik twijfelde over het zogeheten “1914-geslacht”. Iets – ver weg – in mij zij dat het misschien niet klopte en dat alleen al leverde een vorm van paniek op. Maar daar had ik wat op gevonden. Ik ging net zolang in de Wachttoren of in andere lectuur lezen, alleen in die van het WTG natuurlijk, want iets anders bestaat er niet…, dat de twijfel weer verdween en ik weer geloofde wat het WTG leerde. Ik zocht en vond de bevestiging binnen de Jehovah’s Getuigen en daar was ik tevreden mee. Verder keek ik toen niet. Achteraf heb ik geleerd dat dit niets anders is dan hersenspoeling, maar op dat moment vind je het fijn. Dan krijg je dat geluksgevoel weer. Het gevoel dat je het goed hebt gedaan en dat het uitzicht op dat paradijs er nog steeds is.’

De invloed van de kindertijd op het vervolg in het leven

Wat een kind meemaakt en geleerd wordt, is sterk bepalend voor wat volgt in het leven. Wat dat betreft kon er eenvoudigweg uit de indoctrinatie door het WTG en de ouders van Ingrid niet veel goeds verwacht worden. Afzondering, angst, een verwrongen wereld- en mensbeeld en weinig tot geen kennis van zaken die niet bekend of akkoord zijn bij de Jehovah’s Getuigen. Ze geven geen goede doorstart aan het eind van de tienerjaren. ‘Het was in die tijd ook niet nodig om een hogere opleiding te volgen. Nee, “pionieren” was het motto. En dus nam ik dat aan en deed ik als tiener wat er gevraagd werd. Ik ging naar de pioniersschool. Mijn jeugdjaren zaten bomvol. Ik dacht dat het nodig was. Meer in de velddienst, meer langs de deuren, om Jehovah te behagen, om meer voor Hem te doen. Zodat je een sterke “band” met Hem zou krijgen. Ja, ja…, achteraf weet ik dat dit nooit zo bereikt kan worden. Het langs de deuren gaan, het “pionieren” (60 of 90 uur per maand) is een uitvinding van het wachttorengenootschap. Die laat de volgelingen denken dat Jehovah dit van hen vraagt en dat het nooit genoeg is. Je kunt altijd meer. ‘Dat is één van de dingen waar ik uiteindelijk letterlijk doodmoe van werd. Dan dacht ik wel eens: Is het nou nooit genoeg? Nee, voor het WTG is het nooit genoeg. Er is altijd meer. Dat is gewoon niet vol te houden, hoewel ik het wel zeker geprobeerd heb, ook later toen m’n leven helemaal vol zat. Ik heb echt geprobeerd om ook dit goed te doen, want ik wilde dat paradijs in, van kinds af aan al. Maar het meeste van de tijd voelde ik mij ongelukkig, soms diep ongelukkig, want de basis waardoor je gevormd bent is gewoon niet goed. Als kind bij de Jehovah’s Getuige word je geleefd en dat gaat eigenlijk nooit over.’

Wat in de jeugd gevormd is, komt altijd ergens aan de oppervlakte. Het gaat dan goed of het gaat fout. Bij Ingrid ging het goed fout…; helaas. Ondermeer op het gebied van seksualiteit, iets wat normaal hoort te zijn bij tieners en jongvolwassenen. Bij Jehovah’s Getuigen wordt het onderwerp seksualiteit tot iets buitenproportioneel gemaakt, in de zin dat er een enorme focus is op de dingen die wel en vooral niet zouden mogen. Het is heel vaak onderwerp in de lectuur, in lezingen en privé-besprekingen. De aandacht is buitensporig. Er ligt zoveel nadruk op, dat het hele onderwerp meer dan normale aandacht krijgt en dus ook de angst voor aangeprate misstappen op dit gebied groot is. En ja, dan gaat er juist van alles fout en wordt het positieve van seksualiteit, zeker in de krachtige jaren, helemaal teniet gedaan. Het levert veel onbegrip, frustratie en verdriet op. En Ingrid ontkwam hier logischerwijs niet aan.

Getrouwd en drie kinderen

Zonder enige twijfel is Ingrid oprecht heel blij met haar drie kinderen, die ze uit een inmiddels afgesloten huwelijk met een Jehovah Getuige kreeg. Dat neemt niemand haar meer af, hoewel het verdriet over het niet kunnen ontmoeten van haar jongste dochter, die Jehovah Getuige is en haar moeder op last van de organisatie mijdt, absoluut aanwezig is. Ingrid ziet uit naar de dag dat zij met deze dochter herenigd zal zijn. Daar wil ze haar best voor doen, maar niet door opnieuw Jehovah Getuige te worden, zoals het wachttorengenootschap verlangt. ‘Ik laat haar weten dat ik van haar houd, wat er ook gebeurt. Wat zou ik haar graag in mijn armen sluiten en haar dat willen influisteren…’

Het krijgen van kinderen was voor Ingrid vanuit de Jehovah’s Getuigen-gedachte heel normaal, net als het trouwen met een man. Van andere “opties” wist ze niet veel. Uiteraard had ze wel uitgebreid gehoord over het verderfelijke van homoseksualiteit, want ook dat thema is bij de JG heel groot gemaakt. ‘Ik dacht dat homoseksualiteit alleen iets voor mannen was, zo weinig wist ik toen ik rond de twintig was. Zelfbevrediging speelde ook alleen bij mannen. Ik had er gewoon geen weet van en uiteraard was ik zelf niet bezig geweest met het ontdekken van mijn lichaam en seksualiteit. Dat waren verkeerde gedachten, die zouden leiden naar straf en ervoor zouden zorgen dat ik niet in het paradijs zou komen. Ik worstelde al wel een tijd met het idee dat ik meisjes leuker vond dan jongens. Ik was nogal jongensachtig en had regelmatig het gevoel dat ik een jongen had moeten zijn. Maar uiteraard deed ik daar verder niks mee. Alleen de gedachte al… Zo sukkelde ik verder en toen ik eigenlijk heel graag thuis weg wilde, kwam ik mijn latere echtgenoot tegen. Ik had niet eens in de gaten dat ik in wezen helemaal niet met een man zou willen zijn, maar ja, het hoort nu eenmaal zo te gaan, als je als Jehovah Getuige opgevoed bent. Hij was aardig en lief voor mij en dat leidde tot een huwelijk. Uiteraard ook tot sex. Toen wist ik al meteen dat dit het niet voor mij was. Ik had eerder al een grote angst voor mannen en een afkeer van het idee seks en toch trouwde ik, want dat is normaal bij Jehovah’s Getuigen. Als ik het eerder ervaren had, zou ik niet getrouwd zijn met hem. Dat lag overigens niet aan hem, maar aan mij. Sex met een man is niet wat bij mij hoort. Maar voor die conclusie was het toen te laat. Ik was getrouwd en wat daar allemaal bij hoort, had ik maar te accepteren. Uit elkaar gaan was totaal niet aan de orde. Straf en beloning waren in dat verband weer duidelijk in beeld. En zo moest ik nog aan een heel leven beginnen…’

Berusting en depressies

‘Er was berusting,’ gaat Ingrid verder. ‘Het is nu eenmaal zo, hield ik mij voor. Maar ik werd al snel meer en meer depressief. Binnen een jaar na mijn trouwen had ik een kind en kreeg ik een zware postnatale depressie met psychoses, die allemaal gebaseerd waren op angst voor de engel die ik als kind al bedacht had en die nog steeds in mijn leven was. Maar ik kon daar met niemand over praten, behalve met mijn man. Samen spraken we af dat er niet met anderen over zouden spreken, omdat ik me schaamde. Ik kreeg binnen drie jaar nog twee kinderen en met op en af gaande depressies vocht ik me door het leven heen. Het was zwaar, want het “programma” met drie kleine kinderen, en daarnaast echt alles 100% goed willen doen als Jehovah’s Getuige, zat tot de nok toe vol. Er kon totaal niks meer bij. Op dinsdagavond vergadering tot 21.00 uur. Ook de kinderen moeten mee, al vallen ze de dag erna op school in slaap. Op woensdagavond velddienst. Op donderdagavond opnieuw vergadering. Vrijdagavond gezinsstudie, zaterdagochtend velddienst, zondagochtend vergadering en direct daar achter aan velddienst. En dan het liefst op maandagavond persoonlijke studie, maar dat schoot er nogal eens bij in. Ja, en daar voelde ik mij dan weer erg schuldig over. Als ik er nu over nadenk, dan kan ik me niet meer voorstellen dat ik het vol gehouden heb. Maar…, net als vroeger thuis waren we weer een modelgezin. Een voorbeeld voor andere Jehovah’s Getuigen…’

‘Als je alleen bent, heb je al veel werk als JG aan het bezoeken en voorbereiden van alle vergaderingen. Aan het langs de deur gaan, wat ik nog veel deed in die tijd. Daarnaast het huishouden, want alles moest wel keurig in orde zijn; er werd naar ons gekeken en we waren een soort “ambassadeurs” van Jehovah. Al met al was ik zo druk, dat ik niet echt de tijd had om stil te staan bij de vele momenten dat ik ongelukkig was. Zo doorliep ik – voor het oog van anderen zonder kleerscheuren – de jaren dat mijn kinderen klein waren en op de basisschool zaten. Het was ergens wel prettig dat ik zo druk bezig was, dan hoefde ik niet zelfstandig na te denken. Dan kon ik gewoon doen wat ik moest doen en moest laten. Later heb ik onder veel tranen en innerlijke pijn moeten leren zelf na te denken en beslissingen te nemen. Ik had dat gewoon niet of onvoldoende geleerd. Alles was immers voorgekauwd. Zelf denken staat niet op nummer 1 voor een Jehovah Getuige. Doen en laten wat je gezegd wordt door het wachttorengenootschap en door de ouderlingen en dan komt alles goed, was de opdracht altijd. Zo wilde ik het volhouden tot in het paradijs. Maar dat kwam maar niet…’

Tijd om in te storten

Die ontzettend drukke jaren waren het bekende “uitstel van executie”. Toen de oudste twee kinderen op de middelbare school zaten werd het ‘tijd om in te storten,’ zoals Ingrid dat nu zegt. ‘Ik was vaak zo moe, zo depressief, dat ik zelfs de simpelste dingen niet meer kon. Ik kon m’n bed niet of nauwelijks meer uit. De dokter schreef anti-depressiva voor, maar daarmee was het probleem allerminst opgelost. In die tijd heb ik twee keer geprobeerd uit het leven te stappen. Het lukte niet. De derde keer zou het mij wel gelukt zijn, maar nadat ik veel pillen en drank had ingenomen hoorde ik beneden de kinderen en dat bracht mij bij zinnen. Toen heb ik de dokter gebeld en heel snel kwam ik in het ziekenhuis terecht. Het ging net goed. Gelukkig achteraf, maar als je zo diep zit, weet je niet wat je doet. Nadat ik uit het ziekenhuis was, kwamen de ouderlingen om te vertellen dat ik dat niet meer mocht doen, omdat ik bij zelfmoord niet in het paradijs zou komen. Ook mocht ik er niet met anderen over praten, omdat dat hun geloof aan kon tasten. Alles moest ik zelf verwerken. Maar toch was het niet voor niets geweest. Het was de doorbraak naar het besef dat het zo niet langer kon. Er moest iets gebeuren. Wat dan ook. Ik werd verwezen naar een psychiatrische instelling, eerst voor drie maanden. Dat moesten we de ouderlingen vertellen, zo werkt dat nu eenmaal bij de Jehovah’s Getuigen. Die zijn over het algemeen helemaal geen voorstander van psychologische hulp van buitenaf. Het risico dat zo iemand uit de organisatie gaat, omdat het op zelf denken aankomt, wordt dan groter. Dat wil men liever vermijden. Maar in mijn geval zagen ze wel in dat het niet anders kon. Met mijn man ben ik naar mijn ouders geweest om alles te vertellen. De reactie van mijn vader zal ik nooit vergeten. Toen het hoge woord eruit was, was hij opgelucht. “Ik dacht dat jullie kwamen vertellen dat jullie uit elkaar zouden gaan, maar dat is gelukkig niet zo.” Ik denk niet dat hij besefte dat hij mij met deze woorden een enorme trap na gaf. Wéér, zoals zo vaak, was ik niet belangrijk. Wéér ging het niet om mij, zijn eigen kind, maar om het plaatje voor de buitenwacht. Want een scheiding binnen de familie werkt niet in je voordeel als je als modelgezin binnen de gemeente bekend wil staan. De ellende waar ik in terecht was gekomen werd onvoldoende opgemerkt. Het was eigenlijk ondergeschikt en het wachten was op het moment dat dit voorbij zou zijn. Het was ook voor mijn ouders wat dat de behandeling “uit handen gegeven moest worden” aan mensen buiten de organisatie. Het liefst had men het zelf opgelost, maar men zag wel in dat ik te ver daarvan uit de buurt was geraakt.’

Ik wilde niemand zien

‘Voor mij was die opname een zegen. Ik had anders zeker op een ander moment een eind aan mijn leven gemaakt; zo diep was ik gezonken. Ik moest gewoon voor een langere tijd weg uit het leven dat ik leefde. Onder lotgenoten kon ik stukje bij beetje mijn verhaal vertellen en zijn wie ik zijn wilde. Vreemd genoeg vond ik het, hoewel het ook moeilijk was, heerlijk om daar los te zijn van mijn bestaande leven. Ik wilde ook absoluut geen andere Jehovah’s Getuigen ontvangen. Die zouden mij alleen maar een schuldgevoel bezorgen, bewust of onbewust. Dat wilde ik zeker niet! En nu zeg ik: dat heeft mij gered! Ik denk dat mijn ouders de ernst van de zaak toen niet echt inzagen. Hun belangstelling voor mij als persoon heb ik niet als groot ervaren. Ook nu ontbrak de “warmte” die toch vanzelfsprekend zou moeten zijn tussen ouders en kind. Slechts éénmaal hebben zij mij bezocht in de totaal zes maanden dat ik opgenomen ben geweest. Triest hè? Die tijd zonder Jehovah’s Getuigen bleek uiteindelijk mijn redding te zijn. Daar ben ik nog steeds van overtuigd.’

Ingrid kon zich eindelijk op iets anders concentreren dan op het wachttorengenootschap en haar omgeving met louter Jehovah’s Getuigen. Individuele en groepstherapie brachten haar op een totaal ander pad. Het zelfstandig denken moest aan de praat gebracht worden. ‘Het was erg met mij,’ herinnert Ingrid zich. ‘Ik dacht bij zowat elk onderwerp wat de Wachttoren of Ontwaakt er over te zeggen had. Ik spiegelde daar alles aan. Alles waar ik een vraag over had, ging ik opzoeken in de lectuur. Op zoek naar de bevestiging en de leiding van anderen. Alles om zelf maar niet te hoeven denken. En toen moest ik zelf gaan nadenken. Zelfs jaren later had ik daar nog regelmatig grote moeite mee. Mijn huidige psycholoog wilde bijvoorbeeld niet zeggen waarover we het de volgende keer zouden hebben en daar werd ik in het begin onzeker en boos over. Ik was gewend dat de ander de lijnen uitzette en dat ik die dan moest volgen.’

Lesbisch en niet meer naar het paradijs

‘De periode dat ik los van de organisatie was en aan mijzelf kon werken, betekende een belangrijke ommekeer in mijn leven. Ik kwam tot rust, omdat ik voor het eerst in mijn leven de tijd nam om aan mezelf te denken. Toen pas, op mijn 37-ste! Niet dat het er allemaal eenvoudiger op werd. Er zouden nog veel moeilijke momenten volgen. In ieder geval rondom het besef dat ik al lang had, namelijk dat ik wil samenleven met een vrouw en niet met een man. Daar was eindelijk “ruimte” voor ontstaan. Ik liet mijn ware gevoelens toe. Daar werd ik tijdens de groepstherapie door mijn groepsgenoten enorm bij geholpen. Ik kon uiteindelijk zeggen: ik ben lesbisch en ik wil zo verder gaan in het leven. Dat had ik mijn ouders willen vertellen en ook hoe zwaar alles voor me geweest is, maar ik heb ze nooit meer gezien of gesproken. Ik dacht toen dat dit het einde zou betekenen van mij vaste voornemen om in het paradijs te komen, want Jehovah en de organisatie staan het praktiseren van de lesbische liefde niet toe. Maar ik was zo moe gestreden dat ik zelfs hier vrede mee had. Maar er was nog meer. Ik moest een manier vinden om verder los te komen en ik wilde de vader van mijn kinderen de vrijheid bezorgen die hem toekwam, vond ik. Hij is altijd goed voor ons geweest en verdiende het niet om bij een vrouw te blijven die in de praktijk niet meer volledig zijn vrouw zou kunnen zijn. Daar voelde ik mij dan weer schuldig over… Ik gunde hem een JG-partner. Ik moest wat doen en ik moest zelf beslissen en stappen zetten. Dat heb ik gedaan. Weer was het niet makkelijk en het heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat ik het contact met mijn jongste dochter verloor. Toch heb ik toen doorgezet en achteraf gezien heb ik daar geen spijt van. Ik kon inmiddels ook niet anders meer.’

Ex Jehovah Getuige Ingrid Keessen uitgesloten en gescheiden

‘Ik besloot te zeggen dat ik sex met een vrouw had gehad. Dat was helemaal niet zo, maar ik wist dat ik hierdoor bevrijd zou worden van de organisatie en van Gerard kon scheiden op een manier dat hij opnieuw zou kunnen trouwen. Ik moest daarover bij de ouderlingen vertellen, terwijl ik niet eens wist hoe sex met een vrouw was. Ik speelde het spel mee. Al snel werd ik uitgesloten. Daar wordt niet moeilijk over gedaan. De scheiding heb ik daarna snel aangevraagd, zodat mijn ex snel verder zou kunnen met zijn leven. Dat deed hij. Binnen een jaar trouwde hij met een JG-zuster. Fijn voor hem, maar wat ik heel erg vond is dat hij naar de andere kant van het land verhuisde en mijn jongste dochter (toen 14 jaar) meenam. Die was op dat moment heel boos op mij vanwege de sex met een vrouw die ik gehad zou hebben en vanwege de scheiding en uitsluiting. Achteraf denk ik dat het mijn fout geweest is dat ik de kinderen toen niet verteld heb dat het niet waar was, maar ik durfde het niet. Ik zat uiteraard ook helemaal niet goed in m’n vel en daardoor was ik er niet altijd voor haar na de scheiding. Ik vergat soms afspraken. En ik probeerde misschien iets te veel om haar weg te halen bij Jehovah’s Getuigen. Dat is op zich wel logisch, maar werkte toen niet zoals ik gehoopt had. Het dreef haar juist van mij vandaan, helaas… Er bleef weinig contact over met haar. En dat doet pijn, nog steeds. Ik zag haar heel weinig en de schok was heel groot toen ze mij een brief stuurde dat ze, als 15-jarige, gedoopt was als Jehovah’s Getuige. “Je weet wat dit betekent,” schreef ze. “Dat we elkaar niet meer kunnen zien.” Het verdriet dat dit meebracht is onvoorstelbaar. Aan de andere kant weet ik dat ook zij zo gehersenspoeld is dat ze zoiets kan doen. Ik heb het eerder ook zo gedaan. Ze kan er eigenlijk niks aan doen. Ook haar hebben ze geleerd dat het zo van Jehovah moet. Ik hoop zo dat het weer goed komt.’

Verkeerde diagnose en behandeling religieus trauma

Daar zat Ingrid dan – in 2011 – in haar “nieuwe leven”. Ze kon helemaal opnieuw beginnen… In een huurhuis, zonder toekomst (geen paradijs), zonder partner, zonder vrienden, zonder familie, zonder goed te weten hoe bijvoorbeeld de rekeningen betaald moesten worden, maar wel met twee pubers. En ook met extreme angsten. Voor God, voor Armageddon en nog veel meer. Ze kreeg een uitkering en moest verder met therapie. Zo’n grote ommekeer komt niet zomaar tot stand. Dat is vaak een lange weg. Helemaal als de diagnose van wat je mankeert en de daarop volgende behandeling fout blijkt te zijn. Eerst dachten behandelaars dat ze borderline en ADHD had. De behandeling daarvoor sloeg niet aan en ze werd in feite als “uitbehandeld” bestempeld. Maar een nieuwe psycholoog gaf de moed niet op. Hij verdiepte zich in het verleden en stelde de vraag of de problemen wellicht te maken konden hebben met de religie die ze aangehangen had.  Hij dacht aan hersenspoeling en trauma. Ingrid vond het een overdreven conclusie, maar dat duurde niet lang. Ingrid: ‘De psycholoog zei: “Ik denk dat daar de oorzaak van alles ligt. Jij bent zo geïndoctrineerd dat je een religieus trauma hebt opgelopen.” Dat aanvaardde ik vrij snel, want dat had ik al zelf ook al eens bedacht. De jarenlange vrij nutteloze “behandeling” en medicatie op basis van de vorige diagnose werd aan de kant gezet. Ik had er er geen baat bij. Dat blijkt wel uit de kortdurende psychoses die ik in die tijd had. Maar goed, dat liet ik achter mij. We konden eindelijk beginnen met het aanpakken van de oorzaak van de problemen waar ik zo mee worstelde. De grote verlatingsangst die ik als kind en tiener opgebouwd had moest verdwijnen en dat is niet eenvoudig. Ik moest veel overwinnen en van mij af zetten. Gedachten zien kwijt te raken. Zo heb ik tot zo’n twee jaar na mijn uitsluiting geloofd dat Jehovah’s Getuigen de waarheid was en dat ik de zwakke schakel was die het niet meer op kon brengen om toe te passen wat er geleerd werd. Ik gaf mijzelf dus wéér de schuld. Dat was geheel onterecht, zo werd mij verteld. Ik kon er zelf niks aan doen. Het was niet mijn fout! Ik leerde steeds meer dat de leer van de JG verkeerd is. Dat ging niet vanzelf. In het begin heb ik het nog verdedigd. Nu weet ik wel beter. Na in de afgelopen twee jaar intensieve therapie te hebben gevolgd, kan ik nu volmondig beamen dat ik gehersenspoeld ben door Jehovah’s Getuigen. En dat ik als kind trauma’s heb opgelopen, omdat ik veel te jong veel te volwassen vergaderingen moest bijwonen, die ik allemaal letterlijk en serieus nam.

Tot persoonlijk geloof gekomen

Maar… waar is “het paradijs” gebleven? Is het verloren gegaan voor Ingrid? Nee, wat zij als kind zo fel begeerde en waar zij zich levende voorstellingen van maakte, zal ze zien. Uiteraard op een andere manier dan de Jehovah’s Getuigen haar geleerd hebben, al vanaf dat foute boekwerk dat “Mijn boek met bijbelverhalen” heet. Dat was hét boek voor kinderen in die tijd. Helaas doordrenkt met de zienswijzen van het wachttorengenootschap en daardoor in de praktijk onbruikbaar. Een boek dat schade aanbrengt, omdat het aantoonbaar verkeerde dingen leert en dat al aan jonge kinderen.

Waarom zal Ingrid dat paradijs zien? Eenvoudig omdat ze er nu al in leeft. Ingrid is namelijk tot persoonlijk geloof in de Here Jezus Christus gekomen en hééft daarom nu al burgerschap in de hemel. Ze hééft nu al eeuwig leven, omdat de Here Jezus dat beloofde: “Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.” Daar komt geen kerk of organisatie bij kijken. Alléén geloof in Hem en Zijn beloften. Een gelovige is direct toegevoegd aan Hem. Paulus zegt daarom aan de gelovigen te Filippi: “Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” Op grond van haar geloof in Hem      – en niet op basis van een lidmaatschap – is zij een Nieuwe Schepping geworden en toegevoegd aan het Lichaam van Christus. Dat bestaat uit gelovigen vanaf de opstandig van de Here Jezus. Met elkaar zijn we leden van dat Lichaam, van de Gemeente Gods.

Baptistengemeente

‘Ik kwam tot geloof in de het jaar dat ik uitgesloten ben. Mijn oom komt in de baptistengemeente in Eindhoven en op zijn aanraden ben ik daar eens binnengelopen. Ik wilde weten hoe het dan wel in elkaar steekt. Daarna ben ik een tijd naar de baptisten in Valkenswaard gegaan. Dat is een kleinere groep en dichtbij. Ik heb mij ook daar niet bij aangesloten, want dat doe ik niet meer. Maar gelukkig heb ik daar wel de genade-boodschap mogen horen en die heb ik aanvaard. Het allermooiste is het als je weet dat je het als mens niet zelf hoeft te doen. De Here Jezus Christus doet het voor ons. Daar leef ik uit en dat ga ik nooit meer kwijtraken. Bij de Jehovah’s Getuigen was het moeten en werken. Bij het geloof in de Here Jezus Christus komt het uit mijn hart en leef ik in Zijn rust.’ In haar proces van loskomen van de leringen van de Jehovah’s Getuigen schreef Ingrid enkele jaren terug:

Laatst barstte ik bij een bijbelstudie van onze baptistengemeente in huilen uit bij een gebed, omdat dit geloof zo vol echte ware liefde zit. Ze houden van mij. Jezus houdt van MIJ. Niet van wat ik doe. En ik ben al gered, ongeacht wat ik wel of niet DOE. Alleen al omdat ik geloof. Alleen vergeet ik dat daarna weer. Denk dat ik waardeloos ben, omdat ik de kerkdienst oversla zonder reden. Omdat ik niet predik. Omdat ik in slaap viel zonder te bidden, etc etc.

Ontroerende woorden, die aan de ene kant geloof tonen in Zijn Woord. Aan de andere kant is er de worsteling met wat haar in het verleden zo vast ingeprent is. Dat verdwijnt niet zomaar, maar het gaat voorbij. Waar een gelovige uit alleen de Genade leeft, en niet uit wet, en “vast voedsel” tot zich neemt, daar verdwijnen die negatieve gedachten. Dat is gelukkig de ervaring van velen.

Alle dingen werken mee ten goede voor Ex Jehovah Getuige Ingrid Keessen

Het verhaal van Ingrid is heftig. Wat heeft zij veel mee moeten maken! Wat een verdriet heeft ze moeten doorstaan en nog is dat niet voorbij. Toch is het evenzo een positief verhaal, want de boodschap is dat zelfs de grootste indoctrinatie overwonnen kan worden. Zeker als je tot persoonlijk geloof in de Here Jezus Christus komt. Het negatieve is omgezet in het positieve; door de Heer Zelf! De apostel Paulus zegt dan ook in Romeinen 8:

En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, ….

Paulus heeft het dan over de dingen in het leven van een gelovige – iemand die God lief heeft – die in onze ogen helemaal niet goed gaan of de dingen die een gelovige niet goed doet. De Here Jezus Christus, onze Leidsman, gebruikt ze evenwel ten goede. Daar mag Ingrid verzekerd van zijn en met haar alle gelovigen in Hem. Tot slot daarom de woorden van Paulus uit hetzelfde hoofdstuk. Woorden om nooit meer te vergeten. Woorden die direct in de herinnering zouden moeten komen, als het op een of andere wijze moeilijk wordt. Woorden van troost, juist omdat ze gesproken zijn door Degene die bij machte is om te doen wat er staat.

Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?

Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?

Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.

Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechter hand Gods is, Die ook voor ons bidt.

Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard?

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.

Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen,

Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.

Werkelijk niets kan Ingrid als wedergeboren kind van God scheiden van de liefde Gods. Het verleden als Jehovah Getuige niet, het heden niet en de toekomst niet. Zij is “meer dan overwinnaar”. Wij zijn daarvan verzekerd, zegt Paulus en daarmee zijn het de Woorden Gods.

Tot bemoediging

Daarom is dit uiteindelijk een positief verhaal, geïllustreerd door de lach van Ingrid. Het is fijn dat ze het heeft willen vertellen en dat we het op deze website kunnen plaatsen. Het is onze bede dat dit tot bemoediging mag zijn van al degenen die worstelen onder het juk van slavernij dat het wachttorengenootschap in de naam van Jehovah oplegt aan onschuldige volwassen en kinderen. Dat het mag bijdragen aan hun bevrijding en als het even kan tot het ingaan in de rust die de Here Jezus Christus geeft aan degenen die op Hem alleen vertrouwen. Dat het ook mag helpen bij het voorkomen dat mensen zich laten misleiden om lid te worden van de organisatie van Jehovah’s Getuigen, geleid door het wachttorengenootschap.


Boek “Het paradijs ontvlucht”

Ingrid wilde graag het bijzondere verhaal van haar leven op papier laten verschijnen. Ze legde daartoe contact met schrijfster Adriënne Nijssen. Na intensieve samenwerking kwam het boek “Het paradijs ontvlucht, het verhaal van een ex-Jehovah’s Getuige” tot stand.

Het verscheen op 23 juni 2019 bij Uitgeverij @HaarVerbeelding. Het boek (ISBN 978-90-825180-3-0) kost € 14,95 en is te bestellen via bol.com of rechtstreeks bij de uitgever.


Ex Jehovah Getuige Ingrid Keessen

Ex Jehovah Getuige Ingrid Keessen

12 reacties

  1. Tamara 12/04/2019
    • Ingrid keessen 13/04/2019
  2. Angelique 12/04/2019
  3. Ingrid 13/04/2019
    • angelique 13/04/2019
  4. Audrey maduro 13/04/2019
    • Ingrid 13/04/2019
  5. Mars de Voogd 13/04/2019
  6. Ingrid 14/04/2019
    • Mars de Voogd 24/04/2019
  7. Kevin 13/06/2019
    • Ingrid 22/06/2019

Voeg uw reactie toe

Translate »